De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het doen van valse aangifte van geboorte van een niet-bestaande tweeling en valsheid in geschrift met betrekking tot kinderopvangtoeslag. Uit het dossier bleek dat verdachte op 11 mei 2009 geboorteaangifte deed van een tweeling waarvan één kind niet bestond en het andere kind niet de biologische zoon was van de medeverdachte.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat verdachte wist dat de tweeling niet bestond of dat zij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij valse geboorteakten deed opmaken. Verdachte verklaarde dat zij op verzoek van de partner van haar dochter de aangifte deed zonder de kinderen te hebben gezien, mede door verstoord contact met haar dochter.
Ten aanzien van de valsheid in geschrift met betrekking tot de aanvraag kinderopvangtoeslag kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de aanvraag heeft ingediend, ondanks het gebruik van haar sofinummer en DigiD. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.