1.3.Op 19 januari 2021 heeft eiser een aanvraag op grond van de Tozo ingediend voor de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 maart 2021.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, het volgende ten grondslag gelegd. De aanvraag is voor de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 afgewezen omdat per 1 december 2020 Tozo 3-aanvragen alleen in behandeling worden genomen vanaf de eerste dag van de maand van de aanvraag.
3. Eiser heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Eiser is onjuist en onvoldoende geïnformeerd over de Tozo, de aanvraagprocedure voor de Tozo en de veranderingen hierin. Verder dacht eiser aanvankelijk dat hij geen aanspraak kon maken op een Tozo 3-uitkering omdat zijn Tozo 2-aanvraag was afgewezen. Pas op 4 februari 2021 is hier duidelijkheid over gekomen. Er is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
4. De Tozo bevat tijdelijke regels over bijstandsverlening aan zelfstandigen die financieel getroffen zijn door de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19. De Tozo vindt zijn grondslag in artikel 78f van de Participatiewet (Pw).
5. Uit artikel 44, eerste lid, van de Pw volgt volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1019) dat in beginsel geen bijstand wordt verstrekt over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. 6. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Tozo staat dat voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, derde zinsdeel van de Pw de aanvraag die is ingediend op of na 1 december 2020 en voor 1 februari 2021 wordt geacht te zijn ingediend op de eerste dag van de kalendermaand waarin de aanvraag is ingediend. Eiser heeft zijn aanvraag op 19 januari 2021 ingediend. Zijn aanvraag wordt dus geacht te zijn ingediend op 1 januari 2021. In beginsel heeft verweerder daarom de aanvraag terecht toegekend per 1 januari 2021.
7. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Dat eiser niet van de geldende regels en de veranderingen daarin op de hoogte was, moet voor zijn risico komen. De rechtbank merkt hierbij op dat al op 30 september 2020 is bekendgemaakt dat aanvragen die op of na 1 december 2020 worden ingediend, geacht worden te zijn ingediend op de eerste dag van de kalendermaand van de aanvraag (Stb. 2020/362). Ook de omstandigheden dat pas op
4 februari 2021 is beslist op het bezwaar tegen de afwijzing van een eerdere Tozo-aanvraag en dat op het aanvraagformulier als ingangsdatum 1 oktober 2020 kon worden aangekruist zijn geen bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Dit geldt evenmin voor het feit dat Tozo-aanvragen eerder over een langere periode met terugwerkende kracht konden worden toegekend. Van strijd met één of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.