Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om de heer [persoon A] te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. De heer [persoon A] weigerde mee te werken omdat hij volledige betaling wenste van zijn vordering, die 19% van de totale schuldenlast bedraagt.
De rechtbank stelde vast dat zes van de zeven schuldeisers met de regeling instemden en dat het voorstel door een onafhankelijke partij was getoetst. Verzoekster werkt parttime, solliciteert actief en ontvangt aanvullende uitkeringen, waardoor het voorstel het uiterste is wat zij kan bieden.
De rechtbank oordeelde dat het belang van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder weegt dan het belang van de heer [persoon A]. Daarom werd het verzoek toegewezen, de heer [persoon A] veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.
Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen, uitsluitend door een advocaat in te stellen.