ECLI:NL:RBROT:2022:1616
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens niet rechtmatige bewoning zelfstandige woonruimte
Eiser verzocht om een urgentieverklaring vanwege medische klachten van zijn kinderen en het feit dat hij met zijn gezin inwonend is bij zijn nicht, zonder een zelfstandige woonruimte te bewonen. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet voldoet aan de eis van rechtmatige bewoning van een zelfstandige woonruimte. Eiser stelde dat deze eis in strijd is met artikel 14 EVRM Pro en dat de weigering zijn gezinsleven beperkt volgens artikel 8 EVRM Pro. Tevens voerde hij aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege de gezondheidssituatie van zijn kinderen.
De rechtbank oordeelde dat eiser met zijn gezin inwonend is bij zijn nicht en geen zelfstandige woonruimte bewoont, omdat er geen eigen toegang of sanitaire voorzieningen zijn en de huurovereenkomst niet op zijn naam staat. De eis van rechtmatige bewoning is niet in strijd met artikel 14 EVRM Pro, omdat het doel is om de druk op de woningmarkt te reguleren. Ook is er geen sprake van een inbreuk op het gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser zelf koos om bij zijn nicht te wonen.
Ten aanzien van de hardheidsclausule concludeerde de rechtbank dat de medische stukken onvoldoende duidelijk maken wat de gezondheidstoestand van de kinderen is en welk verband er is met de beperkte woonruimte. Verweerder heeft daarom terecht geen urgentieverklaring toegekend. Ook is geen sprake van schending van artikel 3 IVRK Pro. Het beroep is ongegrond verklaard en een schadevergoeding is niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.