Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..[naam eiser 1], voor zichzelf en als wettelijk
[naam minderjarige],
[naam eiser 2],
[naam erflaatster],
Rechtbank Rotterdam
Deze civiele procedure betreft de vaststelling van de legitieme portie van eiser uit de nalatenschap van zijn moeder, die in 2019 overleed. Eerder voldeden partijen reeds vorderingen uit de nalatenschappen van vader en grootouders, maar de hoogte van de legitieme portie uit de nalatenschap van moeder bleef betwist.
Eiser stelt dat zijn legitieme portie €461.700,10 bedraagt, terwijl gedaagde dit betwist en een bedrag van €134.743,00 aanhoudt. De kern van het geschil is of de toetreding van moeder tot de vennootschap onder firma als een schenking aan gedaagde moet worden aangemerkt. De rechtbank concludeert dat dit inderdaad het geval is, omdat de toetreding uitsluitend in het belang van gedaagde was en moeder geen vergoeding ontving.
Door deze schenking mee te nemen in de berekening van de legitieme massa, wordt aan eiser recht gedaan. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van in totaal €462.630,75 aan eiser, met rente vanaf veertien dagen na het vonnis. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De rechtbank benadrukt de emotionele lading van erfrechtelijke geschillen en hoopt met dit vonnis een einde te maken aan de slepende kwestie tussen de familieleden.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €462.630,75 aan eiser met rente vanaf veertien dagen na het vonnis.