Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
.
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 maart 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen twee broers over de berekening van de legitieme portie na het overlijden van hun moeder, die was toegetreden tot een vennootschap onder firma (vof) waarin haar zoon een melkveehouderij exploiteerde. De kern van het geschil was of de toetreding van de moeder tot de vof en het daarbij behorende verdelings- en overnamebeding als een gift moest worden aangemerkt, wat van invloed was op de legitieme portie.
De rechtbank had de moeder veroordeeld tot betaling van een hoge legitieme portie, het hof had dit bedrag verlaagd en geoordeeld dat sprake was van een gift en dat het overnamebeding een quasi-legaat vormde. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof buiten het debat van partijen was getreden door te stellen dat de onroerende zaken van de moeder beleggingen waren en niet tot ondernemingsvermogen behoorden, terwijl dit niet door partijen was aangevoerd.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan het betoog van de zoon dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak wel van toepassing was gezien de eerdere gezamenlijke bedrijfsvoering. Ook was het oordeel van het hof over het beëindigen van de pachtovereenkomst onjuist en onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.