ECLI:NL:RBROT:2022:2108

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 maart 2022
Publicatiedatum
22 maart 2022
Zaaknummer
ROT 20/3614
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 lid 3 WgbArt. 6:15 AwbBijlage 2 Awb artikel 4Bijlage 2 Awb artikel 6
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen brief NVWA over niet-toegestane biocide

Eiseres ontving op 4 juli 2019 een brief van de NVWA waarin werd gesteld dat zij een biocide gebruikte waarvoor geen toelating was verleend, wat een overtreding van artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) zou zijn. Verweerder legde geen boete op, maar verplichtte eiseres te stoppen met het gebruik van het middel.

Eiseres maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit bezwaar werd bij besluit van 19 mei 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Rotterdam. Tijdens de zitting op 19 januari 2022 werd de bevoegdheid van de rechtbank besproken, waarna het onderzoek werd geschorst om eiseres de gelegenheid te geven zich te beraden over het intrekken van het beroep.

Eiseres besloot het beroep niet in te trekken. De rechtbank oordeelde vervolgens ambtshalve dat zij niet bevoegd was om over het beroep te oordelen, omdat op grond van Bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) bevoegd is voor beroepen tegen besluiten op grond van de Wgb, behalve in boetezaken. Omdat er geen boete was opgelegd, is het CBb bevoegd.

De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en zond het dossier door aan het CBb. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.R. Houweling op 23 maart 2022.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en zendt het dossier door naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/3614

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels van Arkel,
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. de Vries.

Procesverloop

In een brief van 4 juli 2019 heeft verweerder eiseres bericht dat zij een biocide heeft gebruikt (DutriRock) waarvoor geen toelating is verleend, dat eiseres daarmee een overtreding begaat van artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) en dat zij verplicht is direct te stoppen met het gebruik van dit middel.
Bij besluit van 19 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 4 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam] en [naam] , maten van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en eiseres de gelegenheid gegeven om zich te beraden of zij het beroep intrekt. Op 26 januari 2022 heeft eiseres aan de rechtbank bericht dat zij het beroep niet intrekt en gevraagd om toezending van twee stukken. Deze stukken heeft de rechtbank aan beide partijen toegezonden. Met instemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor beantwoording van de vraag of zij bevoegd is om van het beroep van eiseres kennis te nemen. Dit is ook met partijen ter zitting besproken.
2. In Bijlage 2 (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld welke bestuursrechter bevoegd is om te oordelen over beroepen tegen besluiten op grond van onder meer de Wgb. Uit artikel 4 van Pro Bijlage 2 volgt dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over een beroep tegen besluiten op grond van de Wgb, met uitzondering van de artikelen 90 en 108. Die artikelen zien op de bevoegdheid van verweerder om een boete op te leggen voor overtredingen van de Wgb; op grond van artikel 6 van Pro Bijlage 2 is de rechtbank Rotterdam bevoegd om in eerste aanleg over beroepen in die boetezaken te oordelen.
3. De brief van 4 juli 2019, waartegen het bezwaar van eiseres is gericht, heeft betrekking op het verbod om een niet toegelaten biocide te gebruiken. In de brief is eiseres erop gewezen dat zij een overtreding begaat van artikel 43, derde lid, van de Wgb. Verweerder heeft eiseres voor de vermeende overtreding van de Wgb geen boete opgelegd. Hieruit volgt dat niet de rechtbank Rotterdam maar het CBb bevoegd is om over dit beroep van eiseres te oordelen. Daarbij verwijst de rechtbank ook naar ECLI:NL:CBB:2021:587.
4. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd. Het beroepschrift en de bijbehorende dossierstukken zullen, met toepassing van het bepaalde in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, worden doorgezonden naar het CBb.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.