Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [woonplaats eiser], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder
Procesverloop
.
Rechtbank Rotterdam
Eiser, sinds 2019 ontvanger van een IOAW-uitkering, vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten na het verkrijgen van een huurwoning in januari 2021. De gemeente Rotterdam wees deze aanvraag af omdat de kosten als incidentele algemene kosten van bestaan worden beschouwd die uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan. De rechtbank bevestigt dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond die het niet kunnen reserveren van deze kosten rechtvaardigen.
Eiser stelde dat hij door ontruiming en schulden niet had kunnen sparen en dat hem door een wijkteammedewerker toezeggingen waren gedaan over bijzondere bijstand. De rechtbank oordeelt dat deze medewerker alleen gewezen heeft op de mogelijkheid van aanvraag en het risico van afwijzing, zonder toezeggingen die gerechtvaardigd vertrouwen scheppen.
De rechtbank benadrukt dat eiser al vóór november 2020 stond ingeschreven voor een woning en vanaf april 2020 had kunnen reserveren. Schulden en betalingsverplichtingen vormen volgens vaste rechtspraak geen bijzondere omstandigheden. De aanvraag is pas vier weken na woningtoewijzing ingediend, en alternatieve oplossingen waren mogelijk.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt ongegrond verklaard.