ECLI:NL:RBROT:2022:2503
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering zorgtoeslag over 2016 en 2017 en motivering bestreden besluit
De rechtbank Rotterdam heeft op 7 april 2022 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de zorgtoeslag over de jaren 2016 en 2017. Verweerder had de zorgtoeslag voor eiser definitief vastgesteld op nihil en de te veel verstrekte voorschotten teruggevorderd. Eiser voerde onder meer aan dat zijn inkomen nihil was vanwege letselschade en PTSS en dat hij de zorgtoeslag alleen voor zijn overleden ex-echtgenote had aangevraagd.
De rechtbank overwoog dat de aanvraag zorgtoeslag van eiser, op grond van de Awir, mede gold voor de jaren 2016 en 2017. Verweerder had het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser en zijn toeslagpartner correct vastgesteld op basis van gegevens uit de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI). Dit inkomen lag boven de grens voor recht op zorgtoeslag, waardoor de vaststelling op nihil terecht was.
Ten aanzien van de terugvordering concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging door verweerder in het verweerschrift was gemaakt en dat de omstandigheden van eiser geen bijzondere omstandigheid vormden om de terugvordering te matigen. De rechtbank passeerde het motiveringsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro en verklaarde het beroep ongegrond.
Eiser had verder bezwaar tegen de behandeling van stukken, maar de rechtbank stelde vast dat alle stukken aan verweerder waren toegezonden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt in stand gelaten.