ECLI:NL:RVS:2023:1843
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing zorgtoeslag wegens te hoog toetsingsinkomen en verzekeringsplicht
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen om zijn zorgtoeslag over 2016 en 2017 vast te stellen op nihil en de terugvordering van teveel ontvangen voorschotten. De rechtbank had dit besluit bevestigd, waarop appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant stelde dat hij sinds augustus 2008 vanwege gemoedsbezwaren niet verplicht was een zorgverzekering af te sluiten, en dat de rechtbank ten onrechte had vastgesteld dat hij pas in december 2017 zijn zorgverzekering beëindigde. De Raad van State oordeelde dat appellant volgens het Zorginstituut Nederland tot die datum als verzekerde moest worden aangemerkt en dat een eventuele vrijstelling wegens gemoedsbezwaren niet tot een aanspraak op zorgtoeslag leidt.
Verder betoogde appellant dat zijn verzamelinkomen vanwege een lopende cassatieprocedure over letselschade op nihil gesteld moet worden. De Raad van State stelde dat het vastgestelde verzamelinkomen door de inspecteur leidend is, en dat de wet voorzieningen bevat voor eventuele correcties en uitstel van betaling bij latere wijzigingen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.