Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
- toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 22 april 2022 een zaak tegen een jeugdige verdachte die werd verdacht van seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen met een minderjarige onder de twaalf jaar. Ondanks aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk, conform jurisprudentie van de Hoge Raad.
De tenlastelegging betrof handelingen in de periode van maart 2012 tot april 2013. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, namelijk seksueel binnendringen, en subsidiair ontuchtige handelingen. De verdediging voerde aan dat de verklaringen van het slachtoffer niet overeenkwamen met die van de verdachte en dat er geen steunbewijs was.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. De verklaring van het slachtoffer was niet voldoende ondersteund door ander bewijs en het ontuchtige karakter van de handelingen kon niet worden vastgesteld gezien het geringe leeftijdsverschil en de ontwikkelingsachterstand van de verdachte. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van beide tenlastegelegde feiten.
De benadeelde partij diende een schadevordering in, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank wees een kostenveroordeling af wegens het ontbreken van standpunten en begrotingen. Het vonnis werd gewezen door drie rechters, waaronder de voorzitter tevens kinderrechter.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen.