In deze zaak stond een vordering van zorgverzekeraar AnderZorg tegen een verzekerde centraal over de betaling van de premie van september 2021. AnderZorg stelde dat de premie niet was voldaan en vorderde betaling van €218,31, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
De verzekerde betwistte dit en stelde dat de premie wel was betaald, verspreid over september en oktober 2021. De rechtbank oordeelde dat de zorgverzekeraar de betalingen onjuist had toegerekend, in strijd met artikel 6:43 BWPro, dat bepaalt dat zonder betalingskenmerk de betaling op de oudste openstaande schuld moet worden afgeboekt. AnderZorg had betalingen echter op latere maanden geboekt, waardoor september onterecht als onbetaald bleef staan.
De rechtbank concludeerde dat de premie voor september 2021 al was voldaan en wees daarom de vordering af. Ook de aanspraken op rente en kosten werden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. AnderZorg werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden vastgesteld omdat de verzekerde zonder gemachtigde procedeerde.
Uitkomst: De vordering van AnderZorg tot betaling van de septemberpremie en bijkomende kosten wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9607164 \ CV EXPL 21-43181
uitspraak: 29 april 2022
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de naamloze vennootschap
AnderZorg N.V.,
gevestigd in Wageningen,
eiseres,
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde]
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna AnderZorg en [gedaagde] genoemd.
1..Het procesverloop
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
de dagvaarding met producties van 16 december 2021;
de e-mails van [gedaagde] van 22 en 24 december 2021;
de brief van [gedaagde] , ontvangen op 18 januari 2022;
de conclusie van repliek met producties;
de e-mail van [gedaagde] van 21 maart 2022.
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2..De vaststaande feiten
2.1.
Tussen partijen is een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Op basis van die overeenkomst is [gedaagde] gehouden om maandelijks bij vooruitbetaling premie te betalen aan AnderZorg.
2.2.
De premie van de maand september 2021 bedroeg € 182,-.
2.3.
[gedaagde] heeft in de maanden augustus tot en met december 2021 diverse betalingen aan AnderZorg verricht, van in totaal € 918,-. Bij al deze betalingen heeft zij geen betalingskenmerk vermeld.
3..Het geschil
3.1.
AnderZorg heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 218,31, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering heeft AnderZorg het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de premie van september 2021 ter hoogte van € 182,- niet betaald. Dat moet zij alsnog doen. AnderZorg maakt verder aanspraak op de wettelijke rente daarover, die berekend tot 8 december 2021 € 0,91 bedraagt, en op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 48,40. Op de laatstgenoemde vergoeding brengt AnderZorg een betaling van € 13,- in mindering, zodat een vordering van in totaal € 218,31 resteert.
3.3.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij de premie van de maand september 2021 wel degelijk heeft betaald, namelijk in september en oktober 2021. Om die reden stelt zij dat de vorderingen van AnderZorg moeten worden afgewezen.
4..De beoordeling
4.1.
De centrale vraag in deze procedure is of [gedaagde] de premie van de maand september 2021 heeft betaald. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is. Van belang daarbij is dat uit artikel 6:43 BWPro (kort gezegd) volgt dat wanneer geen betalingskenmerk bij een betaling wordt vermeld, de betaling moet worden afgeboekt op de oudste openstaande vordering. AnderZorg heeft zich niet aan dat uitgangspunt gehouden. Zij heeft er namelijk voor gekozen om de betalingen van [gedaagde] (2.3) af te boeken op de nieuwere vorderingen van oktober, november en december 2021, waardoor de maand september 2021 open is blijven staan. Daartoe was zij op grond van artikel 6:43 BWPro niet gerechtigd. De door haar aangevoerde omstandigheid dat zij de vordering voor de maand september 2021 toen al uit handen had gegeven aan haar gemachtigde, maakt niet dat zij eigenhandig van die wettelijke regeling kan afwijken.
4.2.
De conclusie is dat de premie van de maand september 2021 ten tijde van de dagvaarding al ruimschoots was betaald. Aangezien AnderZorg specifiek de premie van de maand september 2021 vordert, wordt de gevorderde hoofdsom afgewezen.
4.3.
Voor zover AnderZorg heeft willen stellen dat er ongeacht de wijze waarop de betalingen van [gedaagde] worden toegerekend sprake is van een betalingsachterstand, heeft zij haar vorderingen onvoldoende onderbouwd. Zij had dan dienen te stellen en te onderbouwen vanaf welk moment de overeenkomst tussen partijen is ingegaan, welk bedrag [gedaagde] maandelijks verschuldigd is, welke betalingen [gedaagde] heeft verricht, op welke wijze die zijn afgeboekt en wat het openstaande saldo is. Dat alles heeft zij echter nagelaten. Ook in dat opzicht is er daarom geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde hoofdsom.
4.4.
De vorderingen tot betaling van de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten volgen hetzelfde lot als de hoofdsom en worden afgewezen.
4.5.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt AnderZorg veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil, omdat zij zonder gemachtigde procedeert.
5..De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt AnderZorg in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken.