Tussen partijen bestaat sinds 1979 een pachtovereenkomst voor akkerbouwgrond, overgegaan op de pachter na overlijden van zijn vader in 2020. De verpachter vordert ontbinding en opzegging van de pachtovereenkomst wegens vermeende tekortkomingen en niet-bedrijfsmatige exploitatie.
De pachter betwist deze tekortkomingen en voert aan dat hij sinds zijn pensioen in 2018 het bedrijf bedrijfsmatig voortzet met voldoende investeringen, eigen arbeid en uitbesteding van specialistische werkzaamheden. De rechtbank stelt vast dat de pachter een bedrijfsmatige landbouw exploiteert en dat de verpachter onvoldoende bewijs levert van tekortkomingen.
De rechtbank wijst de ontbindings- en opzegvorderingen af en oordeelt dat de pachtovereenkomst blijft voortduren. Daarnaast wordt de verpachter veroordeeld om een jachthuurovereenkomst te sluiten, omdat de pachter recht heeft op jachtuitoefening ter bestrijding van schadelijk wild. Proceskosten worden toegewezen aan de zijde van de pachter.