Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij preferente schuldeisers 8,06% en concurrente schuldeisers 4,03% van hun vordering ontvangen. Een meerderheid van 21 van de 22 schuldeisers stemde in met het akkoord, behalve één schuldeiser met een vordering van 17,68% van de totale schuld. Deze schuldeiser weigerde in te stemmen vanwege de lage uitkering.
De rechtbank beoordeelde of de weigering van deze schuldeiser redelijk was, waarbij werd meegewogen dat verzoekster geen betaald werk heeft en een vrijstelling van inspanningsverplichting geniet tot eind oktober 2022. Het akkoord is getoetst door een onafhankelijke deskundige en wordt als het uiterste haalbare beschouwd. De rechtbank achtte de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder dan die van de weigeraar.
Daarom werd de schuldeiser bevolen in te stemmen met het akkoord, waarmee een dwangakkoord tot stand komt. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen omdat deze regeling voor de schuldeisers minder gunstig zou zijn door bijkomende kosten. De kosten van de procedure werden op nihil gesteld en de uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.