Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoekster;
- mr. [persoon A] , werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
- de heer [persoon B] , werkzaam bij Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft bij de Rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 10 augustus 2018 en stond gepland voor 12 mei 2022.
De rechtbank beoordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie en dat het moratorium bedoeld is om de schuldenaar een adempauze te geven om tot een regeling met schuldeisers te komen. Verzoekster betaalt sinds april 2021 de lopende huurtermijnen, ondanks wisselende inkomsten uit arbeid en bijstand, en heeft een afspraak bij schuldhulpverlening.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. De voorziening wordt voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming voor zes maanden op onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.