Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:4902

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
FT RK 22-125
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 FwArt. 3a FwArt. 6 FwArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillietverklaring natuurlijk persoon met eenmanszaak wegens opeisbare schulden

Verzoeksters, twee vennootschappen, vorderen faillietverklaring van verweerder, een natuurlijk persoon met eenmanszaak, wegens niet-betaalde vorderingen uit vonnissen van de rechtbank Rotterdam. Verweerder betwist deels de vorderingen en stelt betalingsregelingen te treffen en een BBZ-uitkering/RBZ-krediet bij de gemeente te hebben aangevraagd.

De rechtbank constateert dat verweerder geen verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling heeft ingediend, ondanks herhaalde aanhoudingen en oproepen. De aanvraag voor een BBZ-uitkering wordt als wezenlijk anders beoordeeld dan een schuldhulpverleningstraject in aanloop naar WSNP.

De rechtbank acht summierlijk bewezen dat er opeisbare vorderingen bestaan, dat verweerder meerdere schulden heeft en dat hij is opgehouden te betalen. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op korte termijn substantiële betalingen zullen volgen.

Op basis hiervan wijst de rechtbank het faillissementsverzoek toe, benoemt een rechter-commissaris en curator, en geeft de curator bevoegdheden tot het openen van post. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de natuurlijk persoon failliet wegens opeisbare vorderingen en het ontbreken van zicht op betaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 7 juni 2022
VONNIS op het op 24 maart 2022 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VDH SOLAR GROOTHANDEL B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Hazerswoude,
verzoekster sub 1,

2 [naam 1] ,

handelend onder de naam:
Juke Service,
wonende en zaakdoende te ’s Gravenhage,
verzoekster sub 2,
beiden te dezer zake domicilie kiezende te Rotterdam,
aan het Halfrond 86 (3071 PP),
advocaat: mr. A.P. van Elswijk,
strekkende tot faillietverklaring van:
[naam 2]
wonende te [woonplaats] ,
aan de [adres] ,
handelend onder de namen:
Foet2Be,
Snel Zonnepanelen,
verweerder.

1.De procedure

Verweerder heeft per e-mailbericht van 20 april 2022 verzocht om aanhouding van de behandeling van het verzoekschrift ter zitting van 26 april 2022.
Verzoeksters zijn, bij monde van mr. A.P. van Elswijk, advocaat, op 26 april 2022 in raadkamer verschenen en gehoord. Verweerder is, hoewel op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen, alsdan niet verschenen.
De behandeling is aangehouden tot 10 mei 2022, teneinde verzoeksters in de gelegenheid te stellen verweerder per brief op te roepen voor de voortzetting van de behandeling.
Voorafgaand aan de voortzetting van de behandeling heeft verweerder ter zitting van 24 mei 2022 en per e-mailbericht van 25 mei 2022 aanvullende stukken overgelegd.
De behandeling is voortgezet in raadkamer op 10 mei 2022, 24 mei 2022 en 31 mei 2022, waarbij zijn verschenen en gehoord:
  • mr. A.P. van Elswijk, advocaat van verzoeksters;
  • de heer [naam 2] , verweerder;
  • de heer [naam 3] , vader van verweerder.
Naar aanleiding van de bij artikel 3 van Pro de Faillissementswet voorgeschreven brief van de griffier van 28 maart 2022 is door verweerder geen verzoekschrift ingediend.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Standpunten van partijen

Voor zover van belang is door partijen het volgende aangevoerd.
2.1
Standpunt verzoeksters
Verzoekster sub 1 heeft in het verzoekschrift gesteld dat zij uit hoofde van een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2021 van verweerder € 14.612,17 exclusief rente en kosten te vorderen heeft, ziende op de levering van zonnepaneelproducten. De vordering van verzoekster sub 2 bestaat uit € 5.471,61 exclusief rente en kosten, welke opeisbaar is geworden op grond van een vonnis van voornoemde rechtbank van 3 maart 2020. Hoewel verweerder tussentijdse betalingen en meerdere betalingstoezeggingen aan verzoeksters heeft gedaan, is volledige betaling tot op heden uitgebleven. Dat door verweerder wordt gesteld dat de hoofdsom van de vordering van verzoekster sub 2 volledig is voldaan, hetgeen door verzoekster sub 2 niet wordt betwist, betekent nog niet dat de bijkomende rente en kosten daarmee zijn komen te vervallen, waardoor de vordering thans nog bestaat. Verzoeksters stellen geen vertrouwen meer te hebben in de toezeggingen van verweerder, nu er na langere tijd nog steeds geen concreet zicht is op volledige betaling. Zij stemmen niet meer in met een betalingsregeling. Dat er sprake is van meerdere schulden, blijkt uit het feit dat er twee verzoeksters zijn. Verweerder verkeert, aldus verzoeksters, in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Verzoeksters persisteren in hun verzoek tot faillietverklaring.
2.2
Standpunt verweerder
Verweerder heeft - daarbij ter zitting ondersteund door zijn vader - het volgende aangevoerd. Hij betwist het vorderingsrecht van verzoekster sub 1 niet, maar stelt dat de vordering is overgedragen aan een incassobureau (kredietverzekeraar Euler Hermes Collections). Hij heeft getracht om een betalingsregeling te treffen met deze partij, en heeft ook deelbetalingen verricht. Dat verzoekster sub 1 een faillissementsrekest indient, is voor hem dan ook onbegrijpelijk. Verder stelt hij dat de vordering van verzoekster sub 2 volledig is voldaan, en dat hij daarvan betalingsbewijzen aan de rechtbank heeft gestuurd. Hij betwist dan ook het vorderingsrecht van verzoekster sub 2. Als mocht blijken dat er toch een vorderingsrecht bestaat, is hij overigens bereid die vordering te voldoen. De bereidheid om aan zijn schulden te werken (die voornamelijk zijn ontstaan binnen zijn eenmanszaak in zonnepanelen) blijkt bovendien uit het feit dat hij bij de gemeente Goeree-Overflakkee een aanvraag gedaan voor een BBZ-uitkering/RBZ-krediet. Daarnaast heeft hij betalingsregelingen voor zijn overige schulden. Ter zitting heeft hij een brief van de gemeente van 20 mei 2022 overgelegd, waaruit de BBZ-aanvraag blijkt. Verzoeksters - gesteld dat ook sprake zou zijn van een vorderingsrecht van verzoekster sub 2 - hebben volgens verweerder betere vooruitzichten op betaling als de eerdere betalingsregelingen worden voortgezet. Verweerder is bereid is de deelbetalingen te verhogen, nu hij, na het onder controle krijgen van zijn alcohol- en drugsverslaving, nieuwe opdrachten heeft en een familielid heeft aangeboden hem financieel bij te staan. Verweerster verzoekt het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen.

3.De beoordeling

Artikel 3 Fw Pro schrijft voor dat de griffier de schuldenaar bij brief kennis geeft dat hij binnen veertien dagen na de dag van verzending van die brief een verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan indienen. Uit het bepaalde in artikel 3a Fw volgt dat indien een dergelijk verzoek door de schuldenaar is ingediend, de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring geschorst wordt, totdat is beslist op het verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank constateert dat de hiervoor genoemde brief van de griffier op 28 maart 2022 aan verweerder is verzonden en dat de brief op 5 april 2022 door verweerder is ontvangen. Verder constateert de rechtbank dat de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring tweemaal ter zitting is aangehouden met onder meer de opdracht aan verweerder om, zo hij dat wenst, tijdig een wsnp-verzoek in te dienen dan wel een concrete aanvraag tot schuldhulpverlening te laten zien indien hij een beroep zou willen gaan doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank stelt vast dat geen wsnp-verzoek ter griffie is ingediend en dat ook geen concrete aanvraag tot schuldhulpverlening is overgelegd. Ter zitting van 24 mei 2022 heeft verweerder een brief van de gemeente Goeree-Overflakkee van 20 mei 2022 overgelegd, waaruit blijkt dat hij een aanvraag voor een BBZ-uitkering/RBZ-krediet heeft gedaan, die door de gemeente in behandeling wordt genomen nadat de rechtbank op het faillissementsverzoek heeft beslist. Een aanvraag voor een BBZ-uitkering/RBZ-krediet is overigens naar het oordeel van de rechtbank wezenlijk anders dan een aanvraag tot schuldhulpverlening in aanloop naar een wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot (verdere) aanhouding van de behandeling van het faillissementsverzoek over te gaan.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Ingevolge artikel 6 van Pro de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat er opeisbare vorderingen van verzoeksters op verweerder bestaan. Ten aanzien van de vordering van verzoekster sub 1 merkt de rechtbank op dat hoewel de hoogte van de vordering door verweerder wordt betwist, hij niet het bestaan ervan ontkent. Daarnaast heeft de advocaat ter zitting verklaard dat de vordering niet is gecedeerd aan Euler Hermes Collections. Ter zitting is daarnaast voldoende komen vast te staan dat de vordering van verzoekster sub 2 niet geheel is voldaan, nu er nog rente en bijkomende kosten openstaan, hetgeen door verweerder ter zitting ook niet is weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoeksters.
Ook is summierlijk gebleken van het bestaan van pluraliteit van schuldeisers, nu het verzoekschrift door meerdere schuldeisers is ingediend en verweerder overigens heeft erkend meerdere schulden te hebben. Verder is niet voldoende aannemelijk geworden dat er op korte termijn nog een substantiële deelbetaling kan worden gedaan aan verzoeksters.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.

4.De beslissing

De rechtbank,
- verklaart [naam 2] voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. G.J. Helmig, advocaat te Middelharnis;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. T. Mulder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2022 te 10:00 uur. [1]
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.