De zaak betreft een geschil over de redelijke huurprijs van een zelfstandige woonruimte aan een adres in Rotterdam, verhuurd sinds 1 juni 2020. De huurder had de aanvangshuurprijs laten toetsen door de Huurcommissie, die een lagere huurprijs vaststelde vanwege een ernstig gebrek: vochtdoorslag in de woning. De verhuurder betwistte deze uitspraak en startte een procedure bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de Huurcommissie bij de waardering van de woning te weinig punten had toegekend voor de WOZ-waarde en energieprestatie. Op basis van een objectieve vaststelling, waarbij de WOZ-waarde werd bepaald als de helft van de waarde van het gehele pand, en het energielabel van het gehele object werd toegepast, werd het puntenaantal verhoogd. Hierdoor kwam de maximale redelijke huurprijs uit op €582,22 per maand.
Gezien het aanwezige gebrek aan vochtoverlast werd deze huurprijs tijdelijk verlaagd tot 40%, oftewel €232,89 per maand, totdat het gebrek is verholpen. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €562,32. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.