Conclusie
1.Korte aanduiding van de zaak
(1) kan huurder/verhuurder zich na een uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie op grond van art. 7:262 BW Pro rechtstreeks tot de kantonrechter wenden zonder eerst in verzet te gaan bij de huurcommissie?
(2) indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, binnen welke termijn moet huurder/ verhuurder zich dan na een voorzittersuitspraak tot de kantonrechter wenden?
2.Feiten en procesverloop
De toenmalige gemachtigde van huurder heeft de stukken, die in de hiervoor onder 2.4 genoemde uitspraak worden genoemd, niet (tijdig) ingediend. Daardoor is de voorzitter van de huurcommissie tot een beslissing gekomen die, materieel gezien, onjuist is. De huurprijs had per 1 juli 2022 slechts mogen worden verhoogd met het wettelijk vastgestelde huurverhogingspercentage van 2,3%, en niet tevens met een inkomensafhankelijke opslag, nu het inkomen van huurder vanaf 2021 vanwege langdurige gezondheidsproblemen sterk is gedaald. Daarom vordert huurder op grond van art. 7:262 lid 1 BW Pro de vernietiging van de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie. [5]
Samengevat heeft verhuurder gesteld dat huurder tijdig verzet had moeten instellen bij de huurcommissie, maar dat niet heeft gedaan en dat huurder daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De termijn waarbinnen de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie door middel van een verzetschrift aan de huurcommissie kon worden voorgelegd, verstreek drie weken na 24 oktober 2022, dus op 14 november 2022. Door niet tijdig verzet in te stellen, is definitief en onomkeerbaar het rechtsgevolg ingetreden dat de uitspraak van de voorzitter dwingend onderdeel van de huurovereenkomst is gaan uitmaken. [6]
Verhuurder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Huurder is daarna in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de schriftelijke opmerkingen van verhuurder zoals bedoeld in artikel 3.3.9.3 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden. Daarvan heeft huurder geen gebruik gemaakt.
3.Juridisch kader
(i) enkele specifieke regels voor de huur van woonruimte en taken van de huurcommissie;
(ii) de procedure bij de huurcommissie en de gevolgen van een uitspraak;
(iii) de mogelijkheid dat uitspraak wordt gedaan door de voorzitter van de huurcommissie;
(iv) het verzet tegen een voorzittersuitspraak bij de huurcommissie;
(v) de procedure bij de kantonrechter;
(vi) de informatie over de directe procedure bij de kantonrechter op de website van de huurcommissie;
(vii) de wetsgeschiedenis met betrekking tot verzet tegen een voorzittersuitspraak;
(viii) de relevante literatuur;
(ix) de feitenrechtspraak waarin is geoordeeld dat de directe gang naar de kantonrechter na een voorzittersuitspraak wél mogelijk is;
(x) de feitenrechtspraak waarin is geoordeeld dat de directe gang naar de kantonrechter na een voorzittersuitspraak niet mogelijk is, en
(xi) art. 6 EVRM Pro en het recht op toegang tot de rechter.
Deze bepalingen zijn van dwingend recht, tenzij uit die bepalingen anders voortvloeit (art. 7:265 BW Pro).
Op grond van art. 37 lid 4 UHW Pro dient de huurcommissie partijen in haar uitspraak te wijzen op de in art. 7:262 BW Pro bedoelde mogelijkheid zich tot de rechter te wenden, alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht moeten worden genomen.
1. Bent u het niet eens met de uitspraak van de voorzitter?
Vraag zo snel mogelijk bij de kantonrechter binnen hoeveel weken u uw procedure moet starten.
j. verzettermijn verlengd van twee naar drie weken
Om iedere twijfel weg te nemen is tevens een bepaling opgenomen waarin is aangegeven dat voor partijen na een voorzittersuitspraak, die in de plaats is getreden van een uitspraak van de huurcommissie, dezelfde rechtsmiddelen openstaan als in het geval van een huurcommissie-uitspraak.(curs. A-G) Dit houdt in dat tot uiterlijk binnen twee maanden na verzending van de voorzittersuitspraak partijen de kantonrechter kunnen verzoeken het geschil in behandeling te nemen.
Partijen kunnen immers niet ervan worden afgehouden hun huurgeschil aan de rechter voor te leggen.(curs. A-G) In de Huurprijzenwet woonruimte is evenwel nog niet voorzien in het expliciet opnemen van die mogelijkheid.”
Men kan zich echter voor en na een voorzittersuitspraak of voor een huurcommissie-uitspraak ook rechtstreeks wenden tot de kantonrechter.(curs. A-G) Wellicht heeft de verwijzing in artikel 2, achtste lid, van het wetsvoorstel naar artikel 7:262 BW Pro misverstand gewekt. Deze verwijzing betreft echter alleen het rechtsgevolg van de uitspraak van de voorzitter, te weten dat partijen geacht worden te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, uiteraard tenzij het tot een tijdig verzet bij de huurcommissie komt. Is de termijn van drie weken verstreken zonder dat verzet is aangetekend, dan treedt voormeld rechtsgevolg in, omdat dan geen beslissing van de rechter op het betreffende punt meer kan worden gevraagd. Een en ander vloeit voort uit het feit dat hetgeen in artikel 7:262 met Pro betrekking tot de uitspraak van de huurcommissie is bepaald, in artikel 20 van Pro overeenkomstige toepassing is verklaard. Wordt wel verzet gedaan en leidt dit tot een uitspraak van de huurcommissie, dan is artikel 7:262 op Pro die uitspraak rechtstreeks van toepassing.
De termijn van acht weken, vermeld in artikel 7:262, komt in geval van een voorzittersuitspraak pas aan de orde, als tegen die uitspraak verzet is gedaan welk verzet tot een uitspraak van de huurcommissie zelf heeft geleid, waardoor vervolgens artikel 7:262 weer Pro rechtstreeks van toepassing is.(curs. A-G) (…)”
Als geen verzet wordt gedaan, geldt het bepaalde in art. 7:262 BW Pro of art. 8a WOHV. De partijen worden dus geacht te zijn overeengekomen, wat in de voorzittersuitspraak is bepaald. Merkwaardigerwijs geldt echter ook dat binnen de in deze artikelen genoemde termijnen (acht weken na de verzending), een uitspraak van de kantonrechter kan worden gevorderd (wat dan uiteraard betekent dat de desbetreffende partij niet wordt geacht, zich met de voorzittersbeslissing te hebben verenigd).”
in plaats vanhet indienen van verzet) binnen acht weken een beslissing van de rechtbank te vorderen, kan in deze bepaling niet worden gelezen. Deze uitleg past bij dit specifieke stelsel van rechtsmiddelen: partijen hebben namelijk na de uitspraak van de huurcommissie op het verzet steeds de mogelijkheid om die uitspraak op grond van artikel 7:262 BW Pro alsnog voor te leggen aan de kantonrechter. Dat betekent dat met het instellen van het verzet, de mogelijkheid om de zaak opnieuw door de kantonrechter te laten beoordelen, niet verloren gaat.
De beschikking van de voorzitter van de Huurcommissie wordt niet meer besproken.
.
(i) is art. 7:262 BW Pro in zijn geheel van overeenkomstige toepassing op een voorzittersbeslissing waartegen geen verzet is ingesteld, dus inclusief de mogelijkheid om binnen acht weken een beslissing van de (kanton)rechter te vragen, of
(ii) is art. 7:262 BW Pro alleen van overeenkomstige toepassing op een voorzittersbeslissing waartegen geen verzet is ingesteld voor wat betreft het
gevolgvan de uitspraak, namelijk dat partijen dan worden geacht te zijn overeengekomen wat in de uitspraak is vastgesteld (de fictieve wilsovereenstemming).
De onduidelijkheid in de formulering van art. 20 lid 8 UHW Pro vindt men m.i. terug in de geciteerde literatuur en rechtspraak van de verschillende kantonrechters.
rechtsgevolgvan de voorzittersuitspraak, maar is even daarvoor tevens vermeld dat partijen zich voor en na een voorzittersuitspraak ook direct tot de kantonrechter kunnen wenden.
op zichzelfdus niet dat sprake is van een schending van het recht op toegang tot de rechter. De omstandigheid dat de verzetprocedure bij de huurcommissie beperkt is, in die zin dat daarin in beginsel geen nieuwe feiten en omstandigheden kunnen worden aangevoerd, maakt dit niet anders. Het geschil kan daarna immers nog volledig worden voorgelegd aan de kantonrechter. Bovendien is de verzetprocedure kosteloos, zodat deze procedure in zoverre geen extra financiële belemmering vormt.
voldoende duidelijkmoet zijn. Als dat niet het geval is, is sprake van een schending van het recht op toegang tot de rechter.
4.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Vraag 1: kan huurder/verhuurder zich na een uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie op grond van art. 7:262 BW Pro rechtstreeks tot de kantonrechter wenden zonder eerst in verzet te gaan bij de huurcommissie?
In de tweede plaats sluit ik aan bij de rechtsoverweging in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 23 april 2021 [60] waarin de strekking van de procedure van art. 7:262 BW Pro is omschreven als een laagdrempelige procedure, waarin partijen zonder rechtsbijstand kunnen procederen, en waarin ook over andere bij de huurcommissie aan de orde gestelde geschilpunten kan worden beslist. Daarbij past m.i. dat een partij, die het in beginsel niet in eigen hand heeft dat zijn zaak tot een voorzittersuitspraak leidt – in welk geval dan geen zitting plaatsvindt – zich meteen na een dergelijke buitengerechtelijke uitspraak tot de kantonrechter kan wenden en in die procedure ook nieuwe feiten en omstandigheden aan de orde kan stellen.