Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan 23 schuldeisers, waarbij 20 schuldeisers instemden en drie schuldeisers, waaronder grote preferente schuldeisers, weigerden mee te werken. De regeling voorziet in een beperkte uitkering op basis van de NVVK-norm, met een prognosepercentage gebaseerd op de huidige ziektewetuitkering van verzoeker.
De drie weigeraars stelden dat verzoeker verwijtbaar in een financieel uitzichtloze situatie is gekomen en onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn alimentatieverplichtingen, waardoor hun vorderingen niet adequaat worden voldaan. De rechtbank beoordeelde de belangenafweging tussen de schuldeisers en verzoeker, waarbij het belang van de meerderheid en de haalbaarheid van het akkoord zwaarder wogen.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker onder beschermingsbewind staat, geen nieuwe schulden maakt en dat het akkoord een gunstiger resultaat oplevert dan de wettelijke schuldsaneringsregeling. Gezien het feit dat verzoeker in de afgelopen vijf jaar te goeder trouw is geweest, werd het dwangakkoord toegewezen en het subsidiaire verzoek afgewezen. De weigeraars werden veroordeeld in de proceskosten.