Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen een schuldeiser die niet wilde instemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling betrof een betaling van 18,03% van de totale schuldenlast van €8.734,66, waarbij vijf van de zes schuldeisers akkoord gingen. De weigering van de schuldeiser, die 44,8% van de schulden vertegenwoordigt, was gebaseerd op een intern beleid vanwege een eerdere schuldhulpverleningstraject.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster geen betaald werk heeft en een participatiewet-uitkering ontvangt, vrijgesteld van sollicitatieplicht vanwege psychische klachten. Het voorstel was deskundig getoetst en goed gedocumenteerd. De rechtbank oordeelde dat het voorstel het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat het een gunstiger resultaat oplevert dan de wettelijke schuldsaneringsregeling.
De belangen van verzoekster en de overige schuldeisers wegen zwaarder dan die van de weigeraar. Het verzoek om dwangakkoord werd toegewezen, het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen en de schuldeiser werd veroordeeld in de proceskosten.