Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:5431

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
5 juli 2022
Zaaknummer
FT EA 22/338
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens schending eigendomsrechten en onvoldoende draagkracht

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een tweetal schuldeisers te dwingen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een gedeeltelijke betaling van de schulden, gebaseerd op zijn afloscapaciteit vanuit een Participatiewet-uitkering. Zeven van de negen schuldeisers stemden in, maar twee schuldeisers, die samen 73,9% van de totale schuld vertegenwoordigen, weigerden.

De rechtbank heeft de weigering van deze schuldeisers getoetst aan de redelijkheid en belangenafweging. Daarbij speelde mee dat verzoeker gehuurde apparatuur, die eigendom bleef van een schuldeiser, zonder toestemming aan derden heeft verkocht, wat een schending van eigendomsrechten vormt. Dit werd door de rechtbank als verwijtbaar aan verzoeker toegerekend.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het voorstel niet het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht, omdat hij ook na 36 maanden nog aflossingen kan doen. Gezien het grote aandeel van de weigeraars in de schuldenlast en de schending van eigendomsrechten, woog het belang van deze schuldeisers zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen vanwege schending eigendomsrechten en onvoldoende bewijs van maximale betalingscapaciteit.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzen gedwongen schuldregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 24 juni 2022
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 13 april 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:
  • [schuldeiser 1], thans [schuldeiser 2] (hierna: [schuldeiser 2]);
  • [naam], in behandeling bij [schuldeiser 3] (hierna: [naam]);
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 13 juni 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw G. Krickovic, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening).
[naam] is ter zitting van 13 juni 2022, op zijn verzoek telefonisch, gehoord.
[schuldeiser 2] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift negen schuldeisers, waarvan één preferente en acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 15.075,94 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 3 februari 2022 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 20,78 % aan de preferente schuldeisers en 10,39 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker is arbeidsongeschikt en heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting. Deze ontheffing loopt tot en met 16 mei 2023.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Zeven schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 2] en [naam] stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van in totaal € 11.134,08 op verzoeker, welke 73,9 % van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser 2] te kennen gegeven dat zij niet instemt met het voorstel van verzoeker. Er is in het verleden een huurovereenkomst gesloten met verzoeker. Daarbij blijft het gehuurde tijdens de huurperiode eigendom van [schuldeiser 2]. [schuldeiser 2] heeft getracht een betalingsregeling met verzoeker te treffen, in combinatie met het inleveren van de gehuurde apparatuur om zo de hoofdsom te verlagen. Verzoeker heeft dit willens en wetens geweigerd door het gehuurde te verkopen aan derden.
In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser 3] namens [naam] te kennen gegeven dat hij niet akkoord gaat met de aangeboden schuldregeling omdat het aanbod onacceptabel laag is. [naam] heeft ter zitting zijn standpunt nader toegelicht. Verzoeker heeft zich niet aan de gemaakte afspraken gehouden. Verzoeker is met [naam] een huurovereenkomst aangegaan, maar heeft enkel de eerste huurtermijn en borg betaald. Daarna zijn de betalingen uitgebleven. Verzoeker heeft destijds verklaard de huur niet te kunnen betalen omdat hij (tijdelijk) geen Participatiewet-uitkering ontving. Later bleek dat niet juist te zijn. [naam] voelde zich dan ook in de maling genomen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser 2] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 2] en [naam] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 2] en [naam] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van [schuldeiser 2] en [naam] een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 73,9 % daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [schuldeiser 2] en [naam] in redelijkheid niet konden weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
Verder weegt de rechtbank de wijze waarop de vordering van [schuldeiser 2] onbetaald is gebleven mee in de beslissing om al dan niet een gedwongen schuldregeling toe te kennen. Verzoeker heeft ter zitting erkend de van [schuldeiser 2] gehuurde apparaten, die tijdens de huurperiode in eigendom van [schuldeiser 2] blijven, ongeveer een jaar geleden aan een derde te hebben verkocht om andere schuldeisers, uit zijn meer persoonlijke netwerk, te kunnen voldoen. Deze schending van de eigendomsrechten van [schuldeiser 2] zijn verzoeker te verwijten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaren van [schuldeiser 2] voldoende gegrond zijn.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Immers, als dit aanbod vergeleken wordt met de situatie dat verzoeker zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan geldt dat dit aanbod gunstiger is voor de schuldeisers omdat daarbij, anders dan in de schuldsaneringsregeling, geen kosten voor bewindvoerderssalaris en griffierecht verschuldigd zijn. Zoals de rechtbank echter heden bij afzonderlijke uitspraak zal beslissen, voldoet verzoeker niet aan de vereisten voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hiervan uitgaande, dient het aanbod vergeleken te worden met de situatie dat geen sprake is van een toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die vergelijking leidt ertoe dat dit voorstel niet het uiterste is waartoe verzoeker in staat moeten worden geacht. Immers, verzoeker kan geacht worden in staat te zijn om ook na 36 maanden nog aflossingen te doen aan zijn schuldeisers.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van [schuldeiser 2] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser 2] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen. Bij het verzoek ten aanzien van [naam] heeft verzoeker daarom geen belang meer.
Gelet op het voorgaande behoeft het overige geen nadere bespreking.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

4..De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2022. [1]