Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een tweetal schuldeisers te dwingen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een gedeeltelijke betaling van de schulden, gebaseerd op zijn afloscapaciteit vanuit een Participatiewet-uitkering. Zeven van de negen schuldeisers stemden in, maar twee schuldeisers, die samen 73,9% van de totale schuld vertegenwoordigen, weigerden.
De rechtbank heeft de weigering van deze schuldeisers getoetst aan de redelijkheid en belangenafweging. Daarbij speelde mee dat verzoeker gehuurde apparatuur, die eigendom bleef van een schuldeiser, zonder toestemming aan derden heeft verkocht, wat een schending van eigendomsrechten vormt. Dit werd door de rechtbank als verwijtbaar aan verzoeker toegerekend.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het voorstel niet het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht, omdat hij ook na 36 maanden nog aflossingen kan doen. Gezien het grote aandeel van de weigeraars in de schuldenlast en de schending van eigendomsrechten, woog het belang van deze schuldeisers zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling werd daarom afgewezen.