ECLI:NL:RBROT:2022:5526
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak inzake verzoeken om informatie op grond van de AVG ongegrond verklaard
Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten door verweerder op zeven verzoeken om informatie op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De rechtbank heeft in eerste aanleg zich onbevoegd verklaard ten aanzien van verzoeken 1 tot en met 3, het beroep gegrond verklaard voor verzoeken 4 en 5 en verzoeken 6 en 7 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet ingesteld, waarbij hij onder meer aanvoerde dat verzoeken 1 tot en met 3 wel verzoeken in de zin van de AVG zijn, dat de rechtbank te lage dwangsommen had toegekend en dat verweerder ten onrechte niet in gebreke was gesteld voor verzoeken 6 en 7.
De verzetrechter oordeelt dat verzoeken 1 tot en met 3 algemene informatie betreffen en niet zien op persoonsgegevens, waardoor de rechtbank terecht onbevoegd was. De hoogte van de dwangsommen is niet onredelijk en de rechtbank heeft de juiste startdatum voor de dwangsom gehanteerd. Ten aanzien van verzoeken 6 en 7 is de ingebrekestelling niet duidelijk genoeg geformuleerd om als zodanig te gelden.
De rechtbank bevestigt dat het verzet ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak inzake verzoeken om informatie op grond van de AVG wordt ongegrond verklaard.