ECLI:NL:RVS:2014:4682
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dwangsommen bij niet tijdig beslissen op Wob-verzoeken door gemeente Delft
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft waarin werd vastgesteld dat geen dwangsommen verschuldigd waren wegens het niet tijdig beslissen op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Appellant had meerdere Wob-verzoeken ingediend, waaronder verzoeken om informatie over het aantal ontvangen Wob-verzoeken en de hoogte van verbeurde dwangsommen. Het college had op sommige verzoeken niet tijdig beslist, maar stelde geen dwangsom vast. De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college ten onrechte het incidenteel hoger beroep niet tijdig heeft ingesteld en verklaart dit niet-ontvankelijk. Verder stelt de Afdeling vast dat het besluit op één van de Wob-verzoeken niet tijdig is genomen, mede omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit tijdig is verzonden. Het faxbericht van appellant wordt als ingebrekestelling aangemerkt, waardoor het college een dwangsom verschuldigd is vanaf de eerste dag na de ingebrekestelling.
De Afdeling vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet en verklaart het bezwaar van appellant gegrond. De dwangsom wordt vastgesteld op het maximale bedrag van €1.260,00. Voor het overige wordt de uitspraak bevestigd. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard en de dwangsom vastgesteld op €1.260,00; het incidenteel hoger beroep van het college wordt niet-ontvankelijk verklaard.