Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:727

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 februari 2022
Publicatiedatum
3 februari 2022
Zaaknummer
629882 FT RK 21.427
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 3 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot faillietverklaring vennootschap onder firma niet-ontvankelijk wegens ontbreken tweede vennoot

Op 7 december 2021 diende BNP Paribas Leasing Solutions N.V. een verzoek tot faillietverklaring in van een vennootschap onder firma gevestigd aan een adres in Nederland. De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek op 1 februari 2022, waarbij verzoekster werd gehoord en verweerster niet verscheen.

De rechtbank oordeelde dat een vennootschap onder firma slechts kan bestaan indien minimaal twee vennoten een overeenkomst zijn aangegaan. Uit het handelsregister bleek dat slechts één vennoot was ingeschreven, die bovendien diezelfde dag failliet werd verklaard. Verzoekster leverde geen aanvullende informatie aan waaruit het bestaan van de vof bleek.

Daarom kon het verzoek tot faillietverklaring niet worden behandeld en werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld door een bevoegde partij via een advocaat.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot faillietverklaring van de vennootschap onder firma wegens ontbreken tweede vennoot en bewijs van het bestaan van de vof.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de naamloze vennootschap
BNP PARIBAS LEASING SOLUTIONS N.V.,
statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
zaakdoende aan het adres Hambakenwetering 4,
5231 DC te ’s-Hertogenbosch,
te dezer zake domicilie kiezende te Zuidkade 6,
5462 CD te Veghel,
verzoekster,
advocaat: mr. R. Arnoldus.
strekkende tot faillietverklaring van:
de vennootschap onder firma
[handelsnaam]
gevestigd en zaakdoende aan het [adres]
[plaats] ,
verweerster,

1.De procedure

Op 7 december 2021 heeft verzoekster ter griffie van de rechtbank een verzoek tot faillietverklaring van verweerster ingediend.
Ter behandeling van het ingekomen verzoekschrift heeft de rechtbank partijen bij brief van 7 december 2021 opgeroepen voor de behandeling.
Verzoekster is, bij monde van mr. E.J. de Koning, op 1 februari 2022 in raadkamer gehoord.
Verweerster is, hoewel op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Artikel 1.2.2.5 van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken bepaalt welke stukken bij het verzoekschrift dienen te worden gevoegd. In sub c van voornoemd artikel wordt bepaald dat indien de faillietverklaring van een vennootschap onder firma wordt verzocht een origineel uittreksel uit het handelsregister en een origineel uittreksel uit de Basisregistratie Personen per vennoot dient te worden overgelegd.
Een vennootschap onder firma kans slechts bestaan indien minimaal twee vennoten een overeenkomst met elkaar zijn aangegaan. Nu uit het uittreksel uit het handelsregister blijkt dat slechts de heer [naam] als vennoot van verweerster is ingeschreven, deze heer [naam] vandaag in staat van faillissement werd verklaard en geen tweede vennoot bekend is, en tenslotte nu verzoekster ook geen informatie heeft aangeleverd waaruit blijkt dat de vennootschap heeft bestaan, kan het verzoek tot faillietverklaring van de vennootschap niet worden behandeld. Om die reden zal de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is op 1 februari 2022 gegeven door mr. M. Aukema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mulder, griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.