De werkneemster was van maart 2020 tot en met augustus 2021 in dienst bij een café en vorderde betaling van 83 overuren en 93 vakantie-uren, naast achterstallig salaris en vakantiegeld. Tijdens de procedure verklaarde zij dat het achterstallige salaris en vakantiegeld reeds volledig waren voldaan, waardoor deze onderdelen niet meer hoefden te worden beoordeeld.
De kantonrechter wees de vordering voor overuren af omdat de werkneemster nooit opdracht had gekregen om overuren te maken en zij gedurende de coronaperiode ook wekenlang niet of nauwelijks had gewerkt. Ten aanzien van de vakantie-uren werd vastgesteld dat een deel van de uren onterecht als opgenomen vakantie was geregistreerd, onder meer omdat de werkneemster aantoonde te hebben gewerkt in die periode en omdat vakantie-uren moesten worden opgenomen tijdens haar vakantie naar Curaçao.
Uiteindelijk werd een bedrag van €522,25 bruto aan openstaande vakantie-uren toegewezen. De vordering van de werkgever tot terugbetaling van te veel opgenomen vakantie-uren werd afgewezen. De wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten werden niet toegewezen. De werkneemster werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie, terwijl de werkgever de proceskosten in reconventie moest betalen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.