ECLI:NL:RBROT:2022:7506

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 september 2022
Publicatiedatum
7 september 2022
Zaaknummer
9633077
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:203 BWArt. 3:44 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering zorgverzekeraar toegewezen ondanks betwiste betalingen

VGZ Zorgverzekeraar en de gedaagde hebben een zorgverzekeringsovereenkomst waarbij een bedrag van €2.642,02 aan premie en declaraties openstond. VGZ vorderde betaling van dit bedrag vermeerderd met rente en incassokosten. De gedaagde stelde dat zij meer dan het verschuldigde bedrag had betaald en vorderde terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling en immateriële schadevergoeding.

De rechtbank beoordeelde de door partijen gestelde betalingen en concludeerde dat de gedaagde €2.361,07 aan VGZ had betaald, maar dat overige betalingen onvoldoende waren onderbouwd. De buitengerechtelijke incassokosten en rente waren toewijsbaar en volledig gedekt door de betalingen. Het resterende bedrag van €1.236,88 werd toegewezen aan VGZ.

De tegenvordering van de gedaagde werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van overbetaling en omdat de procedure van VGZ terecht was gestart. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van €1.236,88 met rente en wijst de tegenvordering af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 9633077 CV EXPL 22-1391
datum uitspraak: 2 september 2022
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V., rechtsopvolgster van
VGZ voor de Zorg N.V., betreffende IZZ Zorgverzekering
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats gedaagde],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. G.A. Soebhag.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 december 2021, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • de repliek in conventie, met een eisvermindering, en het antwoord in reconventie, met een bijlage;
  • de dupliek in conventie en de repliek in reconventie, met een eisvermeerdering, met bijlagen;
  • de dupliek in reconventie, met een bijlage.

2..De feiten

2.1.
VGZ en [gedaagde] hebben een zorgverzekeringsovereenkomst met elkaar gesloten. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] een bedrag van € 2.642,02 verschuldigd geworden aan VGZ. Dat bedrag ziet op premie en (hoofdzakelijk) declaraties, over de periode februari 2009 tot en met augustus 2018.
2.2.
Op 28 oktober 2019 heeft (de rechtsvoorganger van) VGZ [gedaagde] laten dagvaarden. Zij heeft in die dagvaarding gesteld dat zij van [gedaagde] te vorderen heeft € 2.642,02 aan hoofdsom, € 420,29 aan rente en € 464,20 aan buitengerechtelijke kosten, minus een betaling van Zwarte van € 56,07. In het kader van die procedure heeft VGZ haar vordering beperkt tot € 500,-. In de bijlage bij die dagvaarding meldt zij (voor zover van belang):
“Indien u tijdig voor de eerste zittingsdatum (11/12/2019) betaalt, wil VGZ (…) een deel van de vordering voor haar rekening nemen en zal zij genoegen nemen met betaling van een bedrag van € 560,50. U bespaart hierdoor een aanzienlijk bedrag.”
2.3.
Op 5 november 2019 heeft [gedaagde] een bedrag van € 560,50 aan VGZ betaald. Daarop heeft VGZ die procedure ingetrokken.
2.4.
Op 29 juli 2020 heeft VGZ [gedaagde] opnieuw laten dagvaarden. In die dagvaarding heeft ze gesteld dat [gedaagde] ter zake van de hoofdsom van € 2.642,02 tot dat moment € 500,- en € 626,07, dus in totaal € 1.126,07 heeft betaald. VGZ heeft in die procedure daarom aanspraak gemaakt op € 2.435,77, met inbegrip van buitengerechtelijke kosten en verschenen rente. Uiteindelijk heeft VGZ ook deze procedure ingetrokken.

3..Het geschil

3.1.
VGZ eist (na de eisvermindering) samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.236,88‬ met rente;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
VGZ baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft de hoofdsom van € 2.642,02 tot op heden niet volledig betaald. Zij moet daarom ook wettelijke rente, die berekend tot 9 december 2021 € 491,73 bedraagt, en een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 464,20 aan VGZ betalen. Op dit totaalbedrag van € 3.597,95‬ strekt in totaal € 2.361,07‬ aan betalingen in mindering, zodat een vordering van € 1.236,88 resteert.
3.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van VGZ en eist zelf (na eisvermeerdering) samengevat:
  • voor recht te verklaren dat VGZ gehouden is de volledige vordering op grond van onverschuldigde betaling aan [gedaagde] te betalen;
  • VGZ te veroordelen aan haar te betalen € 1.189,51, met rente;
  • voor recht te verklaren dat VGZ gehouden is de volledige vordering op grond van onrechtmatige daad aan [gedaagde] te betalen;
  • VGZ te veroordelen aan haar te betalen € 1.000,-, met rente;
  • VGZ te veroordelen in de proceskosten, met rente;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
[gedaagde] baseert haar verweer en de tegeneis op het volgende. Er is geen sprake van een betalingsachterstand. [gedaagde] heeft juist € 1.189,51 teveel betaald. Dit bedrag moet VGZ op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW Pro) terugbetalen aan [gedaagde]. Daarnaast heeft [gedaagde] immateriële schade geleden doordat zij onterecht in deze procedure is betrokken door VGZ. VGZ moet daarom een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- betalen aan [gedaagde] (art. 6:162 BW Pro).
3.5.
VGZ is het niet eens met de tegenvordering. Zij stelt dat zij de procedure wel degelijk terecht is gestart en dat zij daarom niets verschuldigd is aan [gedaagde].

4..De beoordeling

Uitgangspunt
4.1.
Er is geen discussie over dat [gedaagde] aanvankelijk € 2.642,02 verschuldigd was aan VGZ, op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen. Het verweer van [gedaagde] en haar tegenvordering zijn gebaseerd op de stelling dat zij dit bedrag al ruimschoots betaald heeft. Daarom zullen de door partijen gestelde betalingen hierna achtereenvolgens worden behandeld. Daarbij wordt voorop gesteld dat het aan [gedaagde] is om deze betalingen deugdelijk te onderbouwen (art. 150 Rv Pro).
Betaling van € 56,07
4.2.
Er is geen discussie over dat [gedaagde] op enig moment voorafgaand aan de eerste dagvaarding € 56,07 heeft betaald aan VGZ (2.2).
Betaling van € 560,50
4.3.
Er is ook geen discussie over dat [gedaagde] op 5 november 2019 een bedrag van € 560,50 heeft betaald. VGZ heeft bij repliek in conventie aangevoerd dat een deel van dit bedrag van € 60,50 ziet op de explootkosten van de dagvaarding van 28 oktober 2019. Dit strookt met de tekst in de bijlage van die dagvaarding (2.2). Bij dupliek heeft [gedaagde] deze vorm van toerekening niet betwist. Daarom staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat door deze betaling € 500,- in mindering strekt op de hoofdsom van € 2.642,02.
Termijnbedragen van € 95,-
4.4.
Verder staat vast dat [gedaagde] in ieder geval 19 maal een bedrag van € 95,- heeft betaald, dus een totaalbedrag van € 1.805,-. [gedaagde] heeft bij dagvaarding gesteld dat zij in aanvulling hierop in juni en juli 2020 ook € 95,- heeft betaald. VGZ heeft dit bij repliek betwist en er daarbij op gewezen dat zij heeft geconstateerd dat deze betalingen niet zijn verricht aan haar, maar aan de betaalprovider [naam]. [gedaagde] heeft hierop bij dupliek niet inhoudelijk gereageerd. Zij heeft slechts betaalbewijzen overgelegd. Uit die bewijzen blijkt dat de betalingen zijn overgeschreven naar het rekeningnummer [bankrekeningnummer 1]. Aangezien [gedaagde] niet heeft gereageerd op de stellingen van VGZ, staat als onbetwist vast dat dit geen rekeningnummer van VGZ of haar gemachtigde betreft. Daarbij merkt de kantonrechter op dat op alle aanmaningen en dagvaardingen van VGZ het rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] is vermeld. De twee aanvullende betalingen aan VGZ van € 95,- komen daarom als onvoldoende onderbouwd niet vast te staan.
4.5.
Op grond van het voorgaande staat vast dat [gedaagde] in ieder geval een bedrag van € 2.361,07‬ heeft betaald aan VGZ.
Overige betalingen
4.6.
[gedaagde] bij antwoord in conventie aangevoerd dat zij in totaal € 3.681,57 heeft betaald aan VGZ. VGZ heeft dit gemotiveerd betwist bij repliek in conventie. [gedaagde] heeft op deze betwisting niet inhoudelijk gereageerd, maar ze heeft bij dupliek in conventie gesteld dat zij in totaal € 2.551,07 heeft afgelost aan de gemachtigde van VGZ, te weten het voornoemde bedrag van € 2.361,07 en de twee hiervoor behandelde extra betalingen van € 95,-. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] haar stelling dat zij € 3.681,57 heeft betaald voor het overige heeft laten varen.
Betaling van € 1.226,10
4.7.
[gedaagde] heeft, voor het eerst bij dupliek in conventie, aangevoerd dat zij in aanvulling op het voorgaande nog € 1.226,10 heeft betaald aan de voormalige gemachtigde van VGZ, namelijk 19 maal € 41,90, eenmaal € 100,51 en eenmaal € 329,49. Het had op haar weg gelegen om deze betalingen met betaalbewijzen te onderbouwen. Zij heeft als onderbouwing echter slechts een e-mail overgelegd van haarzelf aan haar gemachtigde. Bij dupliek in reconventie heeft VGZ deze betalingen betwist. Als onvoldoende onderbouwd komen ook deze betalingen niet vast te staan.
Tussenconclusie
4.8.
Kortom, vast komt te staan dat [gedaagde] € 2.361,07 heeft betaald aan VGZ. Omdat de betalingen eerst in mindering strekken op de buitengerechtelijke kosten en rente (art. 3:44 BW Pro), wordt daarover eerst geoordeeld. Daarna wordt geoordeeld welke hoofdsom [gedaagde] nog verschuldigd is.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.9.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 464,20 zijn toewijsbaar, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. De rente, die berekend tot 9 december 2021 € 491,73 bedraagt, is ook toewijsbaar, omdat uit de stellingen van VGZ volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] deze stellingen, afgezien van het hiervoor behandelde verweer, niet heeft betwist.
Eindconclusie
4.10.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] door haar betalingen van in totaal € 2.361,07 de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente volledig heeft betaald. Het restant van € 1.405,14‬ strekt in mindering op de hoofdsom van € 2.642,02. Daarom wordt de in conventie gevorderde hoofdsom van € 1.236,88 toegewezen.
4.11.
Dit betekent dat de stelling van [gedaagde] in reconventie, dat zij de hoofdsom al ruimschoots heeft voldaan, niet vast komt te staan. De in reconventie gevorderde betaling op grond van onverschuldigde betaling wordt daarom afgewezen. De immateriële schadevergoeding wordt eveneens afgewezen, omdat ook die vordering is gebaseerd op de (onjuiste) stelling dat VGZ onterecht een procedure is gestart tegen [gedaagde].
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten in zowel conventie als reconventie betalen. De kantonrechter stelt deze kosten in conventie aan de kant van VGZ tot vandaag vast op € 123,60 aan dagvaardingskosten, € 322,- aan griffierecht en € 248,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 124,- tarief). In reconventie worden deze kosten aan de kant van VGZ tot vandaag vastgesteld op € 187,- aan salaris voor de gemachtigde (½ x 2 punten x € 187,- tarief). Dit is totaal € 880,60. Voor kosten die VGZ maakt na deze uitspraak moet [gedaagde] ook een bedrag betalen van € 62,- (1/2 punt x € 124,- tarief). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.13.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5..De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 1.236,88 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 9 december 2021 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in conventie en in reconventie, aan de kant van VGZ tot vandaag vastgesteld op € 880,60;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst de vorderingen in reconventie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en in het openbaar uitgesproken.
33394