De zaak betreft de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) aanvankelijk verzocht om verlenging van deze maatregel. De kinderrechter behandelde de zaak op 8 september 2022. De ouders oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en het kind woonde bij de vader.
De GI trok het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling tijdens de zitting in, omdat de doelen van de maatregel waren behaald. De ouders hadden een conflict gehad, met name over omgangsregelingen, maar waren met hulp van advocaten en een mediator tot afspraken gekomen. De verstandhouding was verbeterd en het kind had onbegeleid contact met de moeder. De moeder zocht zelf praktische hulp voor huisvesting.
De kinderrechter concludeerde dat het kind niet langer ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd en dat begeleiding door de GI niet langer noodzakelijk was. Gezien de positieve ontwikkelingen wees de rechter het resterende deel van het verzoek af. De beschikking werd mondeling gegeven en later schriftelijk vastgesteld. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.