Woonbron verhuurde op basis van de Leegstandwet een woning aan [gedaagde] met een tijdelijke huurovereenkomst die gekoppeld was aan een vergunning verleend voor maximaal zeven jaar. De vergunning, verleend op 1 april 2015, was verlengd tot 1 april 2022. Woonbron stelde dat de huurovereenkomst daardoor per die datum van rechtswege was geëindigd en vorderde een verklaring voor recht, ontruiming en betaling van gebruiksvergoeding.
[gedaagde] betwistte de beëindiging en verwees naar onduidelijkheden over de overdracht, sloopdatum en verlenging van de vergunning. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [gedaagde] de woning eind juni 2022 had opgezegd en verlaten. De kantonrechter oordeelde dat Woonbron daardoor geen belang meer had bij de verklaring voor recht en de ontruimingsvordering, en wees deze af.
Wel werd vastgesteld dat de huurovereenkomst per 1 april 2022 was geëindigd en dat [gedaagde] het gehuurde daarna onrechtmatig heeft gebruikt. Daarom werd een gebruiksvergoeding van € 1.556,72 toegewezen voor de maanden april tot en met juli 2022. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.