Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
- het exploot van dagvaarding, met producties;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 27 december 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vorderde de huurder vergoeding van €3.220,- wegens schade aan zijn inboedel door lekkage in de gehuurde woning. De huurder stelde dat de verhuurder onvoldoende planmatig onderhoud had verricht en te laat had gehandeld bij het opsporen en verhelpen van de lekkage.
De verhuurder betwistte aansprakelijkheid en stelde dat zij adequaat en tijdig had gereageerd op de meldingen, waarbij eerst het leidingwerk van een radiator werd hersteld en later de badkamer werd vervangen na constatering van een tweede lekkage. De vertraging werd verklaard door een verplichte asbestinventarisatie.
De rechtbank oordeelde dat de lekkages niet aan de verhuurder konden worden toegerekend, omdat onvoldoende sprake was van verwijtbaar onderhoudsverzuim of nalatigheid bij herstel. De huurder had onvoldoende feiten gesteld die een toerekening aan de verhuurder rechtvaardigen.
De vordering tot schadevergoeding werd daarom afgewezen en de huurder werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door de kantonrechter van Breevoort.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens lekkage wordt afgewezen wegens onvoldoende toerekening aan verhuurder.