Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, gebaseerd op een prognose van zijn afloscapaciteit, waarbij negen van de tien schuldeisers instemden. De gemeente Rotterdam, schuldeiser met een preferente vordering van 25,7% van de totale schuld, weigerde in te stemmen vanwege een boete- of fraudevordering onder de Participatiewet.
De rechtbank overweegt dat hoewel schuldeisers in beginsel recht hebben op volledige betaling, artikel 287a Faillissementswet de mogelijkheid biedt om een dwangakkoord op te leggen na belangenafweging. De vordering van de gemeente is oud en het voorstel is getoetst door een onafhankelijke partij. Verzoeker heeft een fulltime baan en staat onder beschermingsbewind, waardoor nieuwe schulden onwaarschijnlijk zijn.
De rechtbank concludeert dat de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van de gemeente Rotterdam. Daarom beveelt zij de gemeente mee te werken aan de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af. De gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil.