Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om twee schuldeisers te dwingen in te stemmen met een schuldregeling. Het aanbod voorzag in een eenmalige betaling van circa 6% van de schuldenlast, mede gefinancierd door een schenking van familie.
De schuldeisers ABN AMRO Bank en [persoon A] c.s. stemden niet in met het aanbod en betwistten de betrouwbaarheid en volledigheid van de documentatie, waaronder een onjuiste VTLB-berekening die onder meer geen rekening hield met een reiskostenvergoeding en woonlasten. Ook was onduidelijkheid over de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van kosten met de ex-partner.
De rechtbank oordeelde dat het aanbod onvoldoende transparant en controleerbaar was, dat verzoekster onvoldoende openheid gaf over haar financiële situatie en afspraken met haar ex-partner, en dat het niet aannemelijk was dat het voorstel het uiterste was wat zij kon bieden. De belangen van de weigeraars wogen zwaarder dan die van verzoekster en overige schuldeisers.
Daarom werd het verzoek tot een gedwongen schuldregeling afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Aukema op 26 januari 2022.