Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2022 in de zaak tussen
[eiseres 1]
[eiseres 2]
[eiseres 3]
[eiseres 4]
[eiseres 5]
[eiseres 6]
[eiseres 7]
[eiseres 8]
Rechtbank Rotterdam
De Nederlandsche Bank (DNB) legde meerdere [Naam]-entiteiten dwangsommen op wegens het niet tijdig aanleveren van benchmarkrapportages over 2018. Na ontvangst van de rapportages vorderde DNB de verbeurde dwangsommen, waarop de entiteiten kwijtschelding verzochten. DNB wees dit verzoek af omdat de financiële situatie van de entiteiten geen problematische draagkracht toonde die verband hield met Covid-19 of andere omstandigheden.
De entiteiten stelden dat uit coulance kwijtschelding gerechtvaardigd was vanwege omstandigheden die de vertraging veroorzaakten en dat de hoogte van de dwangsommen niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de overtreding. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke grondslag voor kwijtschelding uitsluitend ligt in een problematische financiële situatie en dat andere gronden niet succesvol kunnen worden aangevoerd.
Verder werd het bezwaar tegen de overschrijding van de beslistermijn door DNB afgewezen omdat deze termijnen van orde zijn en niet leiden tot vernietiging van het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak benadrukt de restrictieve toepassing van artikel 4:94a Awb, waarbij kwijtschelding slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is als betaling onevenredige gevolgen heeft.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van dwangsommen door DNB is ongegrond verklaard.