ECLI:NL:RBROT:2022:8481
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Echtscheiding uitgesproken van buitenlands huwelijk geregistreerd via verklaring onder ede
De vrouw verzocht de rechtbank Rotterdam om echtscheiding van haar huwelijk met de man, gesloten op 23 januari 2014 in Eritrea. De man heeft geen bekende verblijfplaats en heeft geen verweerschrift ingediend. De vrouw stelde dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat zij de Eritrese en Nederlandse nationaliteit bezit, terwijl de man Eritrese nationaliteit heeft.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de vrouw ten tijde van het verzoek in Nederland verbleef en Nederlands recht van toepassing is. Hoewel geen huwelijksakte werd overgelegd, is de vrouw in de Basisregistratie Personen geregistreerd als gehuwd op grond van een verklaring onder ede (VOE), wat volgens artikel 2.8 lid 2 Wet BRP als rechtsbron geldt. De rechtbank volgt de lijn van Hof Den Haag dat een VOE als voldoende bewijs kan dienen wanneer andere documenten ontbreken.
De rechtbank verwierp het verhoor bij de IND als onvoldoende bewijs omdat dit niet onder ede was afgelegd. Omdat de vrouw onweersproken stelde dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, werd het verzoek tot echtscheiding toegewezen. Ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan werd de vrouw ontvankelijk verklaard omdat zij aannemelijk maakte dat overlegging op dit moment niet redelijkerwijs mogelijk was.
De rechtbank bepaalde dat elke partij de eigen proceskosten draagt. De beschikking werd uitgesproken door rechter M.B. van den Enden op 11 oktober 2022. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit van het huwelijk gesloten in Eritrea op 23 januari 2014.