Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 14 juni 2022, met bijlagen;
- de aantekeningen van het mondelinge verweer namens [gedaagde] , en de daarbij overhandigde bijlagen;
- de repliek.
Rechtbank Rotterdam
Eiser was van januari 2019 tot mei 2022 in dienst bij gedaagde op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Eiser vorderde betaling van achterstallig salaris over april 2022, stortingen in het Tijdspaarfonds, wettelijke verhogingen over deze bedragen, en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.
Gedaagde betaalde het salaris en de Tijdspaarfonds-stortingen na dagvaarding alsnog, waarna eiser deze vorderingen introk, maar de wettelijke verhogingen en kosten bleef vorderen. De kantonrechter stelde vast dat de loonbetaling en de afdrachten te laat waren, waardoor wettelijke verhogingen verschuldigd zijn. De verhogingen werden gematigd tot 20% vanwege betalingsonmacht van gedaagde.
De wettelijke verhoging over de afdracht van april 2022 werd afgewezen omdat deze al in de loonbetaling was begrepen. De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen op grond van art. 6:96 BW Pro. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de gematigde wettelijke verhogingen, incassokosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van gematigde wettelijke verhogingen, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten wegens te late loonbetaling.