ECLI:NL:RBROT:2022:8547
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag
Verzoeker heeft een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ingediend die door de Minister voor Rechtsbescherming is afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en het verweerschrift van de Minister buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening. De beoordeling richtte zich op de vraag of er sprake was van een spoedeisend belang, zoals vereist voor het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb Pro.
Verzoeker stelde dat hij een VOG nodig heeft om als advocaat-stagiair te kunnen solliciteren en dat de inschrijvingsdatum voor de beroepsopleiding advocatuur op 1 maart 2023 een deadline vormt. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen spoedeisend belang aanwezig is, mede omdat verzoeker een Wajong-uitkering ontvangt en geen financiële noodsituatie aannemelijk is gemaakt. De behandeling van de bodemzaak kan zonder onomkeerbare gevolgen worden afgewacht.
De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af zonder inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.