ECLI:NL:RBROT:2023:10463

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
10711466 VV EXPL 23-470
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 150 RvArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot teruggave spullen wegens onvoldoende bewijs in kort geding

Eiseres verbleef tijdelijk bij gedaagde en stelt dat een deel van haar spullen, waaronder een dj-set, laptops en een iPhone, nog in de woning van gedaagde liggen. Na een conflict zou gedaagde de toegang tot de woning hebben ontzegd en weigeren de spullen terug te geven. Eiseres vordert in kort geding de afgifte van deze spullen en een schadevergoeding indien de spullen zijn verdwenen.

Gedaagde betwist dat de spullen nog in haar woning zijn en stelt dat eiseres alle spullen heeft opgehaald. De kantonrechter beoordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar spullen nog in het bezit van gedaagde zijn, zoals vereist op grond van de stelplicht. De ingediende facturen, foto’s en een Snapchat-bericht bieden onvoldoende bewijs.

De vordering wordt daarom afgewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de voorwaardelijke reconventie van gedaagde wordt afgewezen zonder proceskostenveroordeling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot teruggave van spullen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de spullen nog in het bezit van gedaagde zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10711466 VV EXPL 23-470
datum uitspraak: 2 november 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. M.M. van der Marel,
tegen
[persoon B],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. P. van der Veld.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 oktober 2023, met bijlagen;
  • de e-mail van 18 oktober 2023 van [persoon B] , met productie 1;
  • de brief van 18 oktober 2023 van [persoon A] , met productie 9;
  • de spreekaantekeningen van [persoon B] met de eis in (voorwaardelijke) reconventie (tegeneis).
1.2.
Op 19 oktober 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] met haar gemachtigde en [persoon B] met haar gemachtigde.

2.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
2.1.
Omdat [persoon A] op een gegeven moment zonder woning kwam te zitten, verbleef zij tijdelijk samen met [persoon B] (en haar minderjarige dochter) in de woning van [persoon B] . Eind juni/begin juli 2023 zijn [persoon A] en [persoon B] met elkaar op vakantie gegaan, eerst naar Portugal en daarna naar Barcelona. Bij de terugvlucht van Barcelona naar Nederland, bleek sprake te zijn van een overboeking op het vliegticket van [persoon B] , waardoor [persoon B] niet maar [persoon A] wel met de vlucht mee kon. Hierdoor is [persoon A] uiteindelijk alleen terug naar Nederland gevlogen en heeft [persoon B] een latere vlucht moeten nemen. Op dat moment is er onenigheid tussen [persoon A] en [persoon B] ontstaan.
Wat wil [persoon A] in deze zaak?
2.2.
Volgens [persoon A] heeft [persoon B] haar direct nadat [persoon A] het vliegtuig in is gestapt per WhatsApp laten weten dat zij niet meer welkom was in de woning van [persoon B] en heeft zij [persoon A] per direct de toegang tot de woning ontzegd. Omdat [persoon A] geen sleutel (meer) had, kon zij de woning ook niet meer in. Ook op latere momenten heeft [persoon B] [persoon A] niet meer in de woning gelaten en heeft zij geweigerd de spullen van [persoon A] terug te geven. [persoon A] stelt zich nu op het standpunt dat een deel van haar spullen, waaronder een dj-set, twee laptops, een Iphone en verschillende schoenen van bekende merken nog in de woning van [persoon B] liggen. Omdat [persoon B] weigert deze spullen terug te geven, eist [persoon A] in dit kort geding de afgifte van de in de dagvaarding genoemde spullen, op straffe van een dwangsom. Indien zou blijken dat [persoon B] de spullen heeft weggegooid, weggegeven of verkocht, eist [persoon A] vanwege het plegen van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro) een schadevergoeding van € 10.944,90 met rente. Dit bedrag vertegenwoordigt de waarde van de spullen van [persoon A] . Verder eist [persoon A] een schadevergoeding van € 300,00 per week, omdat [persoon A] inkomsten mist doordat zij niet kan beschikken over de dj-set die in de woning van [persoon B] verblijft en daardoor voor haar werk een dj-set moet huren. Hieruit volgt volgens [persoon A] ook haar spoedeisend belang bij dit kort geding. Tot slot eist [persoon A] dat [persoon B] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Wat is het standpunt van [persoon B] ?
2.3.
[persoon B] betwist dat de door [persoon A] genoemde spullen in de woning van [persoon B] hebben gestaan en daar nog steeds staan. Volgens [persoon B] heeft [persoon A] alle spullen die zij destijds naar de woning heeft meegenomen, al opgehaald of laten ophalen. In de woning van [persoon B] liggen geen spullen meer van [persoon A] . [persoon B] eist als (voorwaardelijke) tegeneis een veroordeling van [persoon A] in de werkelijke proceskosten, omdat [persoon A] volgens haar betaling vordert van een geldsom waarbij vaststaat dat hierover niet in kort geding geprocedeerd kan worden en [persoon A] stellingen inneemt waarvan zij de onjuistheid kende.
De vordering wordt afgewezen
2.4.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [persoon A] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [persoon B] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
2.5.
De kantonrechter wijst de eis af, omdat [persoon A] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een gewone procedure gelijk zal krijgen. De standpunten van [persoon A] en [persoon B] staan lijnrecht tegenover elkaar. Omdat [persoon A] zegt dat [persoon B] de spullen van [persoon A] moet teruggeven, rust op haar de stelplicht (artikel 150 Rv Pro). Dit betekent dat [persoon A] in deze procedure voldoende aannemelijk moet maken dat haar spullen inderdaad nog in het bezit van [persoon B] zijn. De stelling van [persoon A] dat de stelplicht op [persoon B] rust, omdat zij zou hebben erkend dat de spullen wel in de woning hebben gestaan maar inmiddels zijn opgehaald, is onjuist. Het gaat erom wie zich op het rechtsgevolg beroept en dat is [persoon A] .
2.6.
[persoon A] heeft niet voldoende aannemelijk kunnen maken dat de door haar genoemde spullen nog in de woning van [persoon B] liggen. Uit de facturen en foto’s die door [persoon A] zijn ingediend, blijkt dit in ieder geval niet. Ook uit het Snapchat-bericht volgt dit onvoldoende. omdat [persoon B] betwist dat dat bericht van haar is. Dat [persoon B] daadwerkelijk dit bericht heeft gestuurd kan niet worden vastgesteld. Om vast te kunnen stellen dat de spullen (nog) in de woning van [persoon B] liggen, zal nadere bewijslevering nodig zijn. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats.
De proceskosten
2.7.
[persoon A] krijgt in conventie ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter ziet geen aanleiding om [persoon A] te veroordelen in de werkelijke proceskosten van [persoon B] . Dit wordt slechts in bijzondere situaties toegewezen, bijvoorbeeld bij misbruik van procesrecht of indien een partij onrechtmatig handelt door een (kansloze) procedure te starten. Daarvan is hier geen sprake. Dat de eis van [persoon A] in deze kort geding procedure wordt afgewezen, omdat haar stellingen niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt en nadere bewijslevering zou moeten plaatsvinden, betekent niet dat sprake was van een bij voorbaat kansloze procedure. [persoon A] wist niet dat [persoon B] zou ontkennen dat de spullen van [persoon A] nog bij haar thuis liggen, omdat [persoon B] niet heeft gereageerd op de brieven van de gemachtigde van [persoon A] .
2.8.
De kantonrechter stelt de proceskosten aan de kant van [persoon B] in conventie tot vandaag vast op € 529,00 aan salaris voor de gemachtigde. Voor kosten die [persoon B] maakt na deze uitspraak moet [persoon A] een bedrag betalen van € 132,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist. [1]
2.9.
In (voorwaardelijke) reconventie krijgt [persoon B] ongelijk. Er wordt echter geen proceskostenveroordeling uitgesproken, omdat [persoon A] geen extra heeft moeten maken voor de reactie op de tegeneis.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen van [persoon A] af;
3.2.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon B] tot vandaag worden vastgesteld op € 529,00;
3.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in (voorwaardelijke) reconventie
3.4.
wijst de vordering van [persoon B] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
37555

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853