ECLI:NL:RBROT:2023:10567

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 november 2023
Publicatiedatum
13 november 2023
Zaaknummer
10399353 CV EXPL 23-7714
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:159 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting opslagkosten blijft bij oorspronkelijke contractspartij wegens ontbreken akte overdracht

De zaak betreft een geschil over de betaling van opslagkosten voor scheepsmallen die op het terrein van eiser zijn opgeslagen. Partijen hadden mondeling afgesproken dat gedaagde maandelijks vooruit € 762,30 inclusief btw zou betalen voor de opslag. Vanaf mei 2021 ontstond een betalingsachterstand.

De kern van het geschil is of gedaagde zijn rechten en verplichtingen uit het contract heeft overgedragen aan een derde partij gevestigd in IJsland. Gedaagde stelt dat dit het geval is, waardoor hij niet meer aansprakelijk zou zijn voor de opslagkosten. Eiser betwist dit en vordert betaling van de achterstallige opslagkosten, rente, incassokosten en toekomstige opslagkosten zolang de mallen op zijn terrein zijn.

De kantonrechter oordeelt dat de contractsoverneming niet heeft plaatsgevonden omdat niet is voldaan aan het wettelijke vereiste van een akte tussen de overdragende en overnemende partij. De aangevoerde appjes en e-mails zijn niet voldoende, en de onleesbare 'barter agreement' is niet tijdig of duidelijk overgelegd. De discussie over de kennis van eiser over de overdracht is juridisch irrelevant zonder de vereiste akte.

Daarom blijft gedaagde contractspartij en is hij gehouden tot betaling van de achterstallige opslagkosten van € 13.353,56 met wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten van € 908,54, en de maandelijkse opslagkosten vanaf januari 2023 zolang de mallen op het terrein staan. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde is gehouden tot betaling van achterstallige opslagkosten, rente, incassokosten en toekomstige opslagkosten wegens ontbreken van geldige contractsoverneming.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10399353 CV EXPL 23-7714
datum uitspraak: 10 november 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01], die handelt onder de naam [handelsnaam01] ,
woonplaats: [woonplaats01] , gemeente Schouwen-Duiveland,
eiser,
gemachtigde: mr. P. de Jonge,
tegen
[gedaagde01], die handelt onder de naam [handelsnaam02] ,
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.J.A. van Dam.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 maart 2023, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen.
  • de akte van [eiser01] , met bijlagen.
1.2.
Op 11 oktober 2023 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser01] met mr. De Jonge en mr. Van Dam namens [gedaagde01] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
De zaak gaat over kosten voor opslag van scheepsmallen op het terrein van [eiser01] . Hij en [gedaagde01] hebben mondeling afgesproken dat [gedaagde01] voor de opslag vanaf 27 oktober 2020 € 762,30 inclusief btw per maand vooruit betaalt (hierna: het contract). Vanaf mei 2021 is een betalingsachterstand ontstaan.
2.2.
Wat partijen verdeeld houdt, is of [gedaagde01] in april of mei 2021 de rechten en verplichtingen uit het contract heeft overgedragen aan een derde en dus of [eiser01] [gedaagde01] al dan niet nog kan aanspreken voor het betalen van de opslagkosten. [eiser01] vindt dat [gedaagde01] nog contractspartij is en eist dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om aan hem € 13.353,56 aan achterstand in opslagkosten te betalen met rente en kosten. Hij wil ook dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om € 762,30 inclusief btw per maand aan hem te betalen voor elke maand dat de roerende zaken op zijn terrein zijn en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard. [gedaagde01] is het niet eens met de eis en stelt dat hij op 15 april 2021 de eigendom van de mallen én zijn rechten en verplichtingen uit het contract met [eiser01] heeft overgedragen aan een bedrijf dat is gevestigd in IJsland. Hij vindt dat hij daardoor geen contractspartij meer is en dat de eis moet worden afgewezen. Wie krijgt gelijk?
[gedaagde01] moet € 13.353,56 aan achterstallige opslagkosten betalen aan [eiser01]
2.3.
De kantonrechter wijst het bedrag aan achterstallige opslagkosten toe, omdat [gedaagde01] nog partij is bij het contract en [eiser01] hem op basis daarvan kan aanspreken voor het betalen van de opslagkosten. Het bedrag betreft de betalingsachterstand tot en met december 2022. Het oordeel wordt hierna verder uitgelegd.
2.3.1.
[gedaagde01] is nog steeds de contractspartij van [eiser01] , omdat de rechtsverhouding van [gedaagde01] bij het contract met [eiser01] niet is overgegaan op het bedrijf in IJsland door contractsoverneming. De rechtsverhouding is niet overgegaan, omdat aan één van de wettelijke vereisten voor contractsoverneming niet is voldaan. Dat vereiste is dat de rechtsverhouding bij het contract moet worden overgedragen met een akte die is opgemaakt tussen de overdragende en de overnemende partij (artikel 6:159 lid 1 BW Pro).
2.3.2.
Aan het vereiste is niet voldaan om de volgende twee redenen.
Ten eerste stelt [gedaagde01] ten onrechte dat met de appjes van 15 april 2021 en de mails tussen 27 januari en 13 april 2022 is voldaan aan het hiervoor genoemde vereiste. De appjes hebben namelijk plaatsgevonden tussen [gedaagde01] en [eiser01] en niet tussen [gedaagde01] als overdragende partij en het bedrijf in IJsland als overnemende partij. Alleen daarom al zijn de appjes niet aan te merken als de akte die de wet vereist. Uit de mail van 27 januari 2022 blijkt alleen dat vanuit de nieuwe eigenaar van de scheepsmallen wordt bevestigd dat het bedrijf in IJsland de nieuwe eigenaar is. Er wordt niets vermeld over de opslag van de mallen. In de mail van 13 april 2022 van [gedaagde01] aan het bedrijf in IJsland staat wel iets over de opslag, maar dat [gedaagde01] en het bedrijf in IJsland hebben afgesproken dat die laatste de rechtsverhouding van [gedaagde01] bij het contract heeft overgenomen blijkt daar niet uit. Alleen al om die reden zijn ook de mails niet aan te merken als de akte die de wet vereist.
Ten tweede heeft [gedaagde01] tijdens de zitting wel gewezen op een zogenoemde ‘barter agreement’ tussen [gedaagde01] en het bedrijf in IJsland, maar het is onduidelijk wat en óf er iets in staat over het overdragen van de rechtsverhouding bij het contract. De foto’s van de ‘barter agreement’ in het appgesprek van 15 april 2021 in het dossier zijn namelijk onleesbaar. Bovendien is tijdens de zitting namens [gedaagde01] gezegd dat het vanwege de onleesbaarheid niet zeker is óf er iets over het contract voor de opslag van de scheepsmallen in de ‘barter agreement’ staat, maar dat het wel na te zoeken is. Voor het overleggen van een leesbare versie van de ‘barter agreement’ of het nazoeken óf iets erover in staat is het nu echter te laat. [gedaagde01] had dat meteen in zijn conclusie moeten doen of uiterlijk vóór de zitting. Aan het leveren van bewijs wordt niet toegekomen, omdat het van de kant van [gedaagde01] niet duidelijk is gemaakt óf in dat document überhaupt iets staat over het overnemen van de rechtsverhouding.
2.3.3.
De discussie tussen de partijen richt zich ook op de vraag of [eiser01] op de hoogte was van de bedoeling van [gedaagde01] om met de verkoop van de scheepsmallen ook het contract voor de opslag van de mallen over te dragen op de nieuwe eigenaar. Die discussie is verder niet relevant voor het beoordelen of sprake is van contractsoverneming. Als het al zo is dat [eiser01] ervan op de hoogte was, dan betekent dat niet dat er geen akte meer nodig is.
[gedaagde01] moet vanaf januari 2023 maandelijks € 762,30 (incl. btw) betalen aan [eiser01] , zolang de roerende zaken op het terrein van [eiser01] zijn
2.4.
De kantonrechter wijst de eis over het betalen van de maandelijkse opslagkosten vanaf januari 2023 zolang de opgeslagen roerende zaken op het terrein van [eiser01] zijn toe. De grondslag is het contract, waarin is afgesproken dat [gedaagde01] € 762,30 inclusief btw per maand vooruit moet betalen voor de opslag van de scheepsmallen op het terrein van [eiser01] .
[gedaagde01] moet wettelijke handelsrente betalen over de opslagkosten tot en met december 2022
2.5.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen zoals geëist, omdat [eiser01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat die rente moet worden betaald en [gedaagde01] dat niet heeft betwist.
[gedaagde01] moet € 908,54 buitengerechtelijke kosten betalen aan [eiser01]
2.6.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot € 908,54, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro) tot de daarvoor geldende tarieven. Het hoger geëiste bedrag (€ 1.042,65) is niet toewijsbaar.
[gedaagde01] moet € 1.593,78 aan proceskosten betalen aan [eiser01]
2.7.
[gedaagde01] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 108,78 aan dagvaardingskosten, € 693,00 aan griffierecht en € 792,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,00). Dit is totaal € 1.593,78. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van € 132,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
Het vonnis wordt uitvoerbaarheid bij voorraad verklaard
2.8.
Zoals geëist, wordt dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 13.353,56 aan achterstallige opslagkosten tot en met december 2022, met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW daarover vanaf 18 februari 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 908,54 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] met ingang van 1 januari 2023 maandelijks € 762,30 inclusief btw te betalen, voor wat de toekomstige termijnen betreft bij vooruitbetaling, voor iedere maand dat de opgeslagen roerende zaken zich op het terrein van [eiser01] bevinden;
3.4.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser01] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.593,78;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
34286