De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot onroerend goed in Amsterdam, woningen in Spanje en Australië, en privéstortingen.
De officier van justitie baseerde haar verdenking op het vermoeden dat de medeverdachte zijn vermogen in bitcoins had verkregen via illegale handel op het darkweb, en dat verdachte dit redelijkerwijs had moeten vermoeden. De medeverdachte zou onjuiste belastingaangiften hebben gedaan en betrokken zijn bij handel via darkweb-accounts, wat volgens het OM duidt op witwassen.
De verdediging pleitte integrale vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het vermoeden te rechtvaardigen dat het vermogen uit enig misdrijf afkomstig was. Er was geen sluitend bewijs dat de medeverdachte de vermeende darkweb-accounts beheerde of dat de bitcoins daadwerkelijk uit misdrijf afkomstig waren. De verklaring van de medeverdachte over de herkomst van zijn bitcoins werd niet weerlegd met overtuigend bewijs.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde witwassen. Tevens werd gelast tot teruggave van in beslag genomen goederen en opgeheven het bevel tot voorlopige hechtenis.