Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 21 juli 2023 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de brief van 23 oktober 2023 van Vestia, met een bijlage.
Rechtbank Rotterdam
In deze verzetprocedure tussen Stichting Hef Wonen (voorheen Vestia) en gedaagde staat de huur van woonruimte centraal. Gedaagde stelde tijdig verzet in tegen een verstekvonnis van januari 2017, waarbij hij betwist dat hij op 16 december 2022 bekend was met het vonnis. De rechtbank oordeelt dat de verzettermijn pas op 31 januari 2023 begon, toen gedaagde voor het eerst kennis nam van het vonnis, en dat het verzet dus tijdig is ingesteld.
Gedaagde voerde aan dat hij de huurovereenkomst binnen een maand telefonisch had opgezegd en de sleutels had ingeleverd, maar kon dit niet concreet onderbouwen. Daarom wordt aangenomen dat de huurovereenkomst niet is opgezegd binnen die termijn, en wordt zijn verweer tegen de huurachterstand afgewezen.
Verder oordeelt de rechtbank dat gedaagde terecht bezwaar maakt tegen de verplichting om na de ontruiming van de woning nog huur of gebruiksvergoeding te betalen. Volgens artikel 7:225 BW Pro is na ontbinding van de huurovereenkomst tot aan ontruiming een gebruiksvergoeding verschuldigd, maar niet daarna. Daarom wordt het verstekvonnis op dit punt vernietigd en wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van vergoeding tot en met 4 april 2017, de dag van ontruiming.
De proceskosten van de verzetprocedure worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het verstekvonnis wordt gedeeltelijk vernietigd en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van vergoeding tot de dag van ontruiming, met veroordeling in proceskosten.