Uitspraak
(gemachtigde: [naam 1] )
Het college heeft hiervoor eerder met het besluit van 17 augustus 2020 een omgevingsvergunning verleend. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2020 heeft het college die vergunning ingetrokken. De vergunde kapvorm van het gebouw was in strijd met de eisen van het bestemmingsplan.
[naam derde-partij] heeft op 11 december 2020 een nieuwe aanvraag ingediend die voorzag in een andere kap. Het college heeft met het primaire besluit een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van het hostel in deze gewijzigde vorm. De omgevingsvergunning is met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de activiteit bouwen.
In het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit in stand gelaten en een aanvullend voorschrift over parkeren aan de omgevingsvergunning verbonden.
De rechtbank is van oordeel dat eiser als opvolgend huurder in het door [naam 1] ingestelde beroep ontvankelijk is.
Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan voor het op grond van rechtsopvolging onder bijzondere titel kunnen overnemen van door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming aanleiding zijn in die gevallen waarin zonder deze overname de rechtsbescherming als gevolg van de rechtsopvolging geheel verloren gaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348). Bij een opvolgend huurder is er geen sprake van rechtsopvolging, zoals bijvoorbeeld bij een eigendomsoverdracht. De rechtbank ziet echter aanleiding om ook in het geval van een opvolgend huurder, deze nieuwe huurder in het beroep ontvankelijk te achten. Anders zou de rechtsbescherming van het ‘bewonersbelang’ geheel verloren gaan. De rechtbank ziet ook geen rechtvaardiging voor een verschil in rechtsbescherming in geval van rechtsopvolging en zoals in dit geval een opvolgende huurder.
Wettelijk kader
In de eerste plaats stelt hij dat de tekeningen onvolledig zijn en dat daarom niet kan worden vastgesteld of het bouwwerk voldoende bestand is tegen de daarop werkende kracht (artikelen 2.1 en 2.2 van het Bouwbesluit 2012).
Eiser stelt daarnaast dat de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie onvoldoende is. Dit is in strijd met artikel 2.10, vijfde en zesde lid, van het Bouwbesluit 2012. Op grond daarvan moet een tijdsduur van 120 minuten worden gehanteerd voor een vloer van een verblijfsgebied die hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau. Op grond van het zesde lid is een reductie van 30 minuten mogelijk. De tekeningen zijn in de bezwaarfase op dit punt aangepast. Uit de tekeningen blijkt dat 20 mm brandwerende bekleding van Promatect wordt aangebracht. Volgens eiser volgt echter uit de tabellen van Promat dat minimaal 25 mm Promatect bekleding moet worden aangebracht bij toepassen van HEB 180 profielen en 90 minuten brandwerende bekleding.
Daarnaast is het bouwplan volgens eiser in strijd met artikel 2.108 van het Bouwbesluit 2012, omdat bij de aanvraag geen capaciteitsplan brandveilig vluchten is gevoegd met een duidelijke maatvoering van de trappen en overlopen.
Verder stelt eiser dat uit de tekeningen volgt dat er niet wordt voldaan aan de artikelen 6.27 en 6.28 van het Bouwbesluit 2012. Zo zijn de op de tekening aangegeven locaties van de brandhaspels niet mogelijk, omdat de gangbreedtes daar te smal voor zijn. Ook is volgens eiser niet voldaan aan artikel 6.25, derde lid, van het Bouwbesluit 2012, omdat de draairichting van een zeer belangrijke vluchtdeur op de begane grond niet correct is weergegeven op de tekening.
Volgens het college strekt artikel 2.10 van het Bouwbesluit 2012 niet ter bescherming van de veiligheid van bewoners van belendende woningen. Het gaat er volgens het college om dat bouwconstructies, die bijvoorbeeld afhankelijk zijn van de draagkracht van de bouwconstructie, niet bezwijken binnen een bepaalde tijdsduur. De achterliggende gedachte is dat een te bouwen bouwwerk bij brand gedurende een redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht kan worden zonder dat er gevaar is voor instorting. Het college verwijst naar de nota van toelichting bij artikel 2.10.
Het college stelt onder verwijzing naar de nota van toelichting dat artikel 2.108, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 het aantal personen regelt dat op een vluchtroute mag zijn aangewezen. Artikel 6.25 heeft blijkens de toelichting tot doel om te waarborgen dat deuren in vluchtroutes het vluchten bij brand zo min mogelijk hinderen. Deze bepalingen strekken volgens het college alleen ter bescherming van de personen die in het hostel verblijven.
De artikelen 6.27 en 6.28 zeggen volgens het college niets over de breedte van een gang, maar bepalen in welke gevallen een brandslanghaspel aanwezig moet zijn en hoeveel. Een brandhaspel moet aanwezig zijn zodat een beginnende brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. Deze norm strekt volgens het college niet tot bescherming van belendende gebouwen.
De rechtbank zal de beroepsgronden hierover daarom niet inhoudelijk behandelen.
Zoals in overweging 10.38 van de overzichtsuitspraak is overwogen, strekken de brandveiligheidsregels uit het Bouwbesluit 2012 tot bescherming van de belangen van eigenaren en gebruikers van de gebouwen waarvoor die eisen gelden en eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen. De brandveiligheidseisen hebben volgens de nota van toelichting het voorkomen van slachtoffers en het voorkomen van uitbreiding van een brand naar een ander perceel ten doel.
Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor artikel 2.10 van het Bouwbesluit 2012. Die bepaling bevat eisen over de tijdsduur van het bezwijken van bouwconstructies bij brand. Uit de toelichting blijkt dat het gaat om het voorkomen van voortschrijdende instorting, dat wil zeggen het bezwijken van andere bouwconstructies van het sub- of brandcompartiment waarin brand heerst. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling ook is bedoeld om de belangen van de eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen te beschermen. Eiser woont in het pand naast het hostel.
De artikelen 6.27 en 6.28 van het Bouwbesluit 2012 staan in afdeling 6.7 (“Bestrijden van brand, nieuwbouw en bestaande bouw”). De eisen over brandslanghaspels hebben naar het oordeel van de rechtbank als doel om de verspreiding en uitbreiding van brand tegen te gaan en strekken daarmee mede ter bescherming van de belangen van de eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen.
De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom wel inhoudelijk behandelen.
Het college stelt dat aannemelijk is dat wordt voldaan aan de artikelen 2.1 en 2.2 van het Bouwbesluit 2012. Op grond van artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) dienen de constructieve tekeningen en gewichts- en stabiliteitsberekeningen uiterlijk drie weken voor de start van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring te worden aangeleverd. In de omgevingsvergunning is een voorschrift hierover opgenomen. Zonder goedkeuring mag niet worden begonnen met bouwen.
Over de brandveiligheid en brandwerendheid stelt het college dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift is verbonden op grond van artikel 2.7 van de Mor. Verder wijst het college erop dat het brandveiligheidsrapport en de bouwtekeningen zorgvuldig zijn beoordeeld door de Brandpreventiecommissie (BPC). De BPC heeft correcties aangebracht in het rapport en heeft het rapport en de tekeningen goedgekeurd.
de brandwerendheid van de bouwconstructie met betrekking tot bezwijken in beginsel minimaal 120 minuten bedragen. Ook hiervoor geldt dat op grond van vergunningvoorschrift 2 voor het begin van de bouw nog aanvullende gegevens moeten worden aangeleverd.
Het college is bij het nemen van het bestreden besluit uitgegaan van de meest recente gewijzigde tekeningen bij de aanvraag. De brandwerendheid van de hoofddraagconstructie is beoordeeld in het brandveiligheidsrapport van [naam 3] van 19 juni 2020 en het rapport van [naam 4] van 11 juni 2020. De gemeentelijke BPC heeft het bouwplan op dit punt akkoord bevonden. De rechtbank kan uit de door eiser overgelegde tabellen niet afleiden dat een 25 mm dikke brandwerende bekleding van Promatect noodzakelijk is om aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 te voldoen. [naam derde-partij] heeft naar voren gebracht dat op verschillende manieren aan de brandwerendheidseis kan worden voldaan. Het college heeft op zitting toegelicht dat op grond van vergunningvoorschrift 2 bij de uitvoering een certificaat van de brandwerendheid van 120 minuten moet worden ingediend en dat dit wordt gecontroleerd.
Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat niet aan de eisen uit artikel 2.10, vijfde en zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan.
De rechtbank is van oordeel dat deze normen kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eiser als omwonende. Wat betreft artikel 4.2 is daarbij van belang dat uit de nota van toelichting bij het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416, blz. 275) volgt dat de normen van afdeling 4.1 over verblijfsgebied en verblijfsruimte strekken tot het zekerstellen van de bruikbaarheid van verblijfsgebied en verblijfsruimte alsmede de noodzaak van enkele basisvoorzieningen. Dat betreft de belangen van de gebruikers van het pand.
De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen.
Eiser stelt dat op grond van bijlage 3 bij de planregels ten minste zes parkeerplaatsen voor auto’s vereist zijn. De locatie ligt in gebied A van de parkeerzones. Voor een hotel geldt een eis van 0,5 parkeerplaatsen per kamer. Voor 11 kamers zijn dat afgerond zes parkeerplaatsen. Het college is ten onrechte uitgegaan van een lagere parkeerbehoefte van één parkeerplaats voor auto’s op grond van de Beleidsregeling 2018 en heeft dat in een aanvullend vergunningvoorschrift voorgeschreven. Volgens eiser is het college op dit punt ten onrechte afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie.
Eiser betoogt verder dat ook een parkeerbehoefte van zes plaatsen niet realistisch is voor het beoogde hostel. De parkeernorm voor een hotel kan volgens hem niet zonder meer worden toegepast op een hostel, omdat er in een hostel per kamer veel meer mensen verblijven dan in een hotel.
Verder voert eiser aan dat het college zijn bezwaar gegrond had moeten verklaren, omdat naar aanleiding van het bezwaar de omgevingsvergunning is aangevuld met een voorschrift over parkeren.
Volgens de bezwaarschriftencommissie moet artikel 29.1 zo worden uitgelegd dat de aanvraag moet worden getoetst aan de parkeernormen in bijlage 3 bij de planregels. Het college is op dit punt afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Volgens het college wordt in de planregels niet verwezen naar bijlage 3. Daarnaast wijst het college op de plantoelichting. Het college stelt zich op het standpunt dat het geldende beleid ten aanzien van parkeren is neergelegd in de Beleidsregeling. Op de datum van het bestreden besluit was dat de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022 (Beleidsregeling 2022), maar op grond van de overgangsbepaling in die regeling is op deze aanvraag de Beleidsregeling 2018 van toepassing.
De Beleidsregeling 2018 bevat geen parkeernorm voor hostels. Het college is bij de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van de parkeernorm voor hotels, omdat dat volgens hem een vergelijkbare functie is. Het college heeft op grond daarvan een parkeerbehoefte van één parkeerplaats voor auto’s berekend. Die kan op grond van artikel 4 van Pro de Beleidsregeling worden voorzien op een alternatieve parkeervoorziening in de nabijheid van het hostel. Met het bestreden besluit is daarover een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.
De rechtbank is het met het college eens dat op de datum van het bestreden besluit de Beleidsregeling 2022 het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren bevatte. Artikel 29.1 van de planregels verwijst niet naar bijlage 3 bij de planregels. Op zitting heeft het college uitgelegd dat het opnemen van bijlage 3 een fout is geweest. Dit wordt ondersteund door de plantoelichting, waaruit blijkt dat het de bedoeling van de raad is geweest om in de planregels een dynamische verwijzing op te nemen naar het parkeerbeleid uit de Beleidsregeling 2018 of de opvolger daarvan. Verder is gebleken dat bijlage 3 bij de planregels niet het meest recente gemeentelijke parkeerbeleid bevat. Het college heeft op zitting toegelicht dat de parkeernormen in bijlage 3 afkomstig zijn uit de in 2018 vervallen bepaling over parkeren in de gemeentelijke bouwverordening. Kort voor de datum van het bestreden besluit is de Beleidsregeling 2022 vastgesteld en in werking getreden. Die regeling bevatte op de datum van het bestreden besluit het meest recente gemeentelijke parkeerbeleid.
Uit artikel 20, eerste lid, van de Beleidsregeling 2022 volgt dat in dit geval aan de parkeernormen uit de Beleidsregeling 2018 moet worden getoetst. De aanvraag is namelijk ingediend vóór de inwerkingtreding van de Beleidsregeling 2022.
Algemene wet bestuursrechtArtikel 7:111. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Artikel 8:69aDe bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
(…)
Bouwbesluit 2012Artikel 2.1. Aansturingsartikel1. Een te bouwen bouwwerk is voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten.
(…)
(…)
(…)
(…)
3. Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in indien bij een te bouwen bouwwerk meer dan 37 personen of bij een bestaand bouwwerk meer dan 60 personen op die uitgang zijn aangewezen.
(…)
Artikel 6.27. Aansturingsartikel1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.
(…)
3. De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel als bedoeld in het eerste en tweede lid en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie is niet groter dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit geldt niet voor een niet in een functiegebied gelegen vloer die uitsluitend door niet besloten ruimten kan worden bereikt.