In deze civiele zaak staat de schadevergoeding centraal die eiseres vordert wegens de wanprestatie van de huurovereenkomst door RCB, waarvan gedaagde als bestuurder persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat de schade wegens gemiste huurinkomsten over augustus tot en met oktober 2022 € 600,00 bedraagt, rekening houdend met ontvangen betalingen van een onderhuurder die door eiseres wordt bestuurd. Daarnaast worden advocaatkosten van € 1.192,50 toegewezen voor het uitzetten van een onrechtmatige onderhuurder, ondanks dat eiseres een toevoeging had. Ook worden kosten voor nutsvoorzieningen over dezelfde periode van € 2.390,68 toegewezen, omdat gedaagde erop had aangedrongen dat eiseres deze diensten zou voortzetten.
De schade aan het pand wordt slechts gedeeltelijk toegewezen (€ 216,00) wegens onvoldoende onderbouwing van overige kosten. Verder worden buitengerechtelijke incassokosten van € 564,92 en proceskosten van € 1.864,00 aan gedaagde opgelegd. De wettelijke rente wordt vanaf relevante data toegewezen. Het vonnis verklaart gedaagde onrechtmatig te hebben gehandeld en veroordeelt hem tot betaling van de genoemde bedragen, met veroordeling tot betaling van rente en kosten.