ECLI:NL:RBROT:2023:11530
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WOZ-beschikking wegens schending inzageplicht, waarde blijft gehandhaafd
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn tussenwoning en stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld. Verweerder had de waarde bepaald op €261.000,- voor het belastingjaar 2021. Tijdens de procedure bleek dat verweerder niet had voldaan aan de inzageplicht uit artikel 40 Wet Pro WOZ door geen inzicht te geven in de gehanteerde correctiepercentages (KOUDV-factoren). Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd.
Ondanks de vernietiging maakte verweerder aannemelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, onderbouwd met een waardematrix en vergelijkingsobjecten. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende inzicht had gegeven in de waardering en dat de door eiser aangedragen vergelijkingsobjecten niet per se meegenomen hoefden te worden.
Eiser verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn was overschreden, maar wees de schadevergoeding af omdat eiser de vordering bij voorbaat had overgedragen aan zijn gemachtigde. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van €1.674,-.
De uitspraak is gedaan door rechter A.M.J. Adriaansen op 15 november 2023 en is openbaar.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de WOZ-waarde blijft gehandhaafd en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.