Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 december 2022, met bijlagen;
- het antwoord.
2.De beoordeling
bij de aanvang van de bewoningeen huurprijs gold of geldt die boven de liberalisatiegrens ligt.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een procedure na een uitspraak van de Huurcommissie over een huurprijsvermindering op basis van het woningwaarderingsstelsel. De huurder woont sinds 1 september 2011 onafgebroken in een zelfstandige woonruimte, waarbij de huurprijs bij aanvang van de bewoning hoger lag dan de liberalisatiegrens. Gedurende de huurperiode zijn meerdere huurovereenkomsten gesloten vanwege bewonerswisselingen.
De Huurcommissie had in 2022 een huurprijsverlaging van 20% toegekend wegens een gebrek aan het gehuurde, maar de verhuurder betwistte de toepasselijkheid van artikel 7:254 BW Pro omdat het een geliberaliseerde huur betreft. De rechtbank stelt vast dat de eerste huurovereenkomst uit 2011 bepalend is voor de beoordeling en dat de huurprijs destijds boven de liberalisatiegrens lag, waardoor artikel 7:254 BW Pro niet van toepassing is.
Verder oordeelt de rechtbank dat het gebrek waarvoor de huurprijsvermindering werd toegekend op 10 mei 2022 is verholpen, waarna de volledige huurprijs weer verschuldigd is. De vordering van de verhuurder tot verklaring voor recht dat de huurovereenkomst van 2011 geldt, wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De rechtbank wijst de vorderingen toe die de huidige huurprijs en het einde van de huurprijsvermindering bevestigen en veroordeelt de huurder in de proceskosten.
Uitkomst: De huurprijsvermindering is niet van toepassing wegens geliberaliseerde huur, huurprijs is € 822,39 per maand en huurprijsvermindering gold van 1 mei 2021 tot 10 mei 2022.