ECLI:NL:RBROT:2023:11794
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling betalingsverplichting inschrijving en identificatie geïmporteerde voertuigen en redelijke termijn
Eisers hebben de RDW verzocht om inschrijving van uit andere EU-lidstaten afkomstige voertuigen in het Nederlandse kentekenregister. De RDW legde betalingsverplichtingen op voor inschrijving en identificatie van deze voertuigen. Eisers stelden dat deze verplichting in strijd is met het Unierecht, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en het ontbreken van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die oordeelde dat identificatie door de RDW is toegestaan en dat de kosten niet de werkelijke kosten te boven gaan. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd waarom dit oordeel onjuist zou zijn, zodat de rechtbank dit standpunt volgt.
Verder voerden eisers aan dat de redelijke termijn voor de behandeling van hun bezwaarschriften is overschreden, wat een schadevergoeding rechtvaardigt. De rechtbank overweegt dat hoewel bijna zeven jaar verstreken is sinds de indiening, de procedure door afspraken tussen partijen lange tijd is aangehouden. Gezien het grote aantal vergelijkbare procedures en het geringe financiële belang, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.
Tot slot verzochten eisers volledige vergoeding van proceskosten en stelden zij dat het griffierecht onrechtmatig is geheven. De rechtbank oordeelt dat griffierecht wettelijk is voorgeschreven en dat eisers niet hebben aangetoond dat dit de toegang tot de rechter belemmert. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, wijst de schadevergoedingsverzoeken af en veroordeelt niet tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.