ECLI:NL:RBROT:2023:12053

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 november 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
C/10/666915 / JE RK 23-2398
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige ter borging van verzorging en opvoeding

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland verzocht de rechtbank om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2020, bij de tante en oom binnen het netwerk van de moeder. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, stemde in met het verzoek en gaf aan dat zij een intensief behandeltraject volgt met als doel terugplaatsing van het kind.

De kinderrechter hield een mondelinge zitting met gesloten deuren waarbij de moeder, haar advocaat en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren. De kinderrechter verleende bijzondere toegang aan de persoonlijk begeleider van de moeder. Uit de stukken en de zitting bleek dat de moeder door haar verslavingsproblematiek momenteel niet in staat is om de verzorging en opvoeding zelfstandig te dragen, waardoor het kind bij familie verblijft en het daar naar omstandigheden goed gaat.

De kinderrechter oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind, conform artikel 1:265b BW. Omdat het kind niet voor langere tijd bij de tante en oom kan blijven en terugplaatsing bij de moeder nog niet mogelijk is, is het belangrijk om een passende vervolgplek te vinden. De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 22 februari 2024 en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van het kind bij familie tot 22 februari 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/666915 / JE RK 23-2398
Datum uitspraak: 7 november 2023
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Nijmegen, hierna te noemen: de GI,
over
[kind01],
geboren op [geboortedatum01] 2020 in [geboorteplaats01], hierna te noemen: [kind01].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam01],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats01],
advocaat: mr. A.L. Witteveen, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 11 oktober 2023;
- het e-mailbericht van de pleegouders van 7 november 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2023. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam02].
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam03], de persoonlijk begeleider van de moeder vanuit Zero&Sano.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [kind01].
2.2.
[kind01] verblijft binnen het netwerk, te weten bij de oom en de tante (moederszijde).
2.3.
Bij beschikking van 13 februari 2023 is de ondertoezichtstelling van [kind01] verlengd tot 22 februari 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante en oom, voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het volgende toe. Het is belangrijk dat de huidige plaatsing van [kind01] bij de tante en oom voor nu geformaliseerd wordt. Vanuit deze verblijfsplek kan de komende tijd gekeken worden naar een passende vervolgplek voor [kind01]. De reden hiervoor is dat [kind01] niet voor een langere termijn bij de tante en oom kan verblijven. Verder geeft de moeder ter zitting aan dat zij graag wil dat een GI uit de regio Brabant betrokken raakt. Aan deze overplaatsing wordt momenteel gewerkt.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek en zij geeft aan dat een plaatsing bij de tante en de oom een wens is. Het is jammer dat het geen langdurige plaatsing kan zijn. Dit komt doordat de communicatie vanuit de GI niet goed verloopt. Het gaat inmiddels wel goed met de moeder. Omdat het doel is dat [kind01] in de toekomst wordt teruggeplaatst bij de moeder is zij bezig met een intensief (behandel)traject. De hoop is dat de moeder dit traject over een jaar heeft afgerond en dat zij dan een woning in Brabant krijgt. Hierdoor is ondersteuning vanuit de GI regio Brabant wenselijk.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
6.2.
Alle betrokkenen zijn het ter zitting eens dat een uithuisplaatsing in het belang van [kind01] is. Dit komt mede doordat de moeder door haar verslavingsproblematiek nu niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [kind01] zelfstandig te dragen. Als gevolg hiervan verblijft [kind01] bij de tante en oom (moederszijde) en hier gaat het naar omstandigheden goed met haar. Om deze verblijfsplek te borgen is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] noodzakelijk in het belang is van de verzorging en opvoeding.
6.3.
In de tussentijd is het belangrijk dat de moeder haar behandeltraject voortzet en afmaakt. Het doel is immers dat [kind01] op enig moment teruggeplaatst wordt bij de moeder. Dit kost echter tijd. Nu gebleken is dat [kind01] niet voor de lange termijn bij de tante en oom kan verblijven en een terugplaatsing bij moeder nog niet mogelijk is, is het van belang dat de komende periode wordt gebruikt om een passende vervolgplek te vinden waar zij voor een langere periode kan blijven.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 november 2023 tot 22 februari 2024;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2023 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van V. Lankhaar als griffier, en op schrift gesteld op 16 november 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.