De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie na beëindiging van de relatie tussen partijen in augustus 2021. De vrouw verzocht een bijdrage van €350 per maand met ingang van 1 december 2022, terwijl de man dit betwistte. De rechtbank stelde de ingangsdatum vast op 13 april 2023, de datum van indiening van het verzoek, omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd voor een eerdere datum.
De behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op €677 per maand, gebaseerd op de berekening van de vrouw en zonder betwisting van de man. De draagkracht van de man werd berekend op €226 per maand en die van de vrouw op €301 per maand, waarbij rekening werd gehouden met hun netto besteedbaar inkomen en forfaitaire woonlasten. De man kon geen onderbouwing geven voor schulden, zodat deze niet in de draagkrachtberekening werden meegenomen.
Er was geen omgangsregeling mogelijk, waardoor een zorgkorting van 5% van de behoefte werd toegepast. Door het tekort in de voorziening van de behoefte en de verdeling daarvan kon de man zijn zorgkorting niet verzilveren. De rechtbank bepaalde dat de man €226 per maand aan kinderalimentatie moet betalen, met wettelijke indexering, en dat ieder zijn eigen proceskosten draagt.