ECLI:NL:RBROT:2023:12146

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 november 2023
Publicatiedatum
21 december 2023
Zaaknummer
10318645 CV EXPL 23-3881
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 lid 2 BWArt. 6:119a BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot betaling wegens schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij vervoersovereenkomst

PostNL vordert betaling van €16.745,04 van gedaagde, die betwist de overeenkomst te hebben gesloten. De vervoersovereenkomst is gesloten op naam van een eenmanszaak die door gedaagde werd gedreven, maar zij stelt dat een ander de overeenkomst heeft gesloten. De rechtbank stelt vast dat gedaagde inderdaad de eenmanszaak dreef en dat de vermeende vertegenwoordiger bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, die gedaagde niet heeft weggenomen. Daarnaast is gebleken dat gedaagde en de vermeende vertegenwoordiger partners zijn en samen overeenkomsten aangaan om derden te misleiden, wat duidt op een bedrieglijke handelwijze.

Hierdoor wordt gedaagde gehouden aan de overeenkomst en veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke handelsrente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €16.745,04 met wettelijke handelsrente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10318645 CV EXPL 23-3881
datum uitspraak: 24 november 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
PostNL Pakketten Benelux B.V.,
vestigingsplaats: Hoofddorp,
eiseres,
gemachtigde: [naam01] (AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders),
tegen
[gedaagde01] ,voorheen handelend onder de naam [bedrijf01] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden ‘PostNL’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 januari 2023, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de dupliek, met bijlagen;
  • het tussenvonnis van 7 juli 2023;
  • de bijlagen die namens PostNL bij de mondelinge behandeling zijn overgelegd.
1.2.
Op 12 oktober 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met [naam02] , werkzaam bij PostNL, bijgestaan door [naam01] . [gedaagde01] is, hoewel zij daartoe behoorlijk is opgeroepen, niet verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
PostNL eist veroordeling van [gedaagde01] tot betaling aan haar van € 16.745,04 aan hoofdsom, reeds vervallen handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 12.495,43 vanaf 20 januari 2023, en de proceskosten. [gedaagde01] betwist de eis.
Wat is er gebeurd?
2.2.
PostNL heeft op grond van een met haar gesloten vervoersovereenkomst op naam van [bedrijf01] pakketbezorgdiensten verricht. Hiervoor zijn met facturen bedragen in rekening gebracht met een gezamenlijk beloop van € 12.495,43. Het is niet gelukt de bedragen te innen. [gedaagde01] werpt tegen dat zij de bedragen niet verschuldigd is, omdat zij de overeenkomst met PostNL niet gesloten heeft, maar [naam03] .
Beoordeling
2.3.
De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van [gedaagde01] , zodat de eis wordt toegewezen. Dit gebeurt om de volgende redenen.
2.4.
In de vervoerovereenkomst van 18 juni 2019, waarvan PostNL een kopie heeft overgelegd, wordt [bedrijf01] vermeld als de contractuele wederpartij van PostNL. Met een uittreksel uit het handelsregister heeft PostNL onderbouwd gesteld dat [gedaagde01] van 20 maart 2019 tot 10 december 2019 een eenmanszaak had onder de naam [bedrijf01] . Uit het uittreksel blijkt ook dat [bedrijf01] het kvk-nummer [nummer01] had en gevestigd was op het adres [adres01] te [plaats02] , het woonadres van [gedaagde01] waar zij is gedagvaard. Deze gegevens zijn bij het aangaan van de overeenkomst opgenomen in de bijlage met de SEPA Standaard doorlopende machtiging. Het aangevoerde door [gedaagde01] dat [bedrijf01] de eenmanszaak was van [naam03] klopt in zoverre niet dat dit niet zo was op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Deze misinformatie door [gedaagde01] werkt in haar nadeel, mede gezien het navolgende.
2.5.
Ook de stelling van [gedaagde01] dat zij de eenmanszaak met de naam [bedrijf02] dreef, lijkt niet juist. PostNL heeft dat namelijk weersproken en onderbouwd dat [bedrijf02] een handelsnaam is van een eenmanszaak van [naam03] , te weten ‘ [bedrijf03] ’, met kvk-nummer [nummer02] en dat [bedrijf03] van 10 december 2019 tot 21 mei 2020 ook de handelsnaam [bedrijf01] had. Dat laatste vindt bevestiging in het uittreksel van het handelsregister dat [gedaagde01] heeft overgelegd. Uit dat uittreksel blijkt ook dat het een onderneming was van [naam03] met als adres [adres01] te [plaats02] .
2.6.
Bij de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van PostNL te kennen gegeven dat hij door zijn werk als deurwaarder ermee bekend is dat [gedaagde01] en [naam03] partners zijn en samen ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen, vanaf februari 2015 in [plaats01] en vanaf januari 2016 op het adres [adres01] te [plaats02] . Onder overlegging van een vonnis van 6 januari 2021 in een andere zaak [1] , waarin de gemachtigde optrad, is gesteld dat [gedaagde01] en [naam03] over en weer overeenkomsten aangaan voor de eenmanszaak op naam van de ander en dat vervolgens, als de eenmanszaak wordt aangesproken in verband met (niet) nakoming, wordt tegengeworpen dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, omdat [gedaagde01] respectievelijk [naam03] de eenmanszaak van de ander niet kan verbinden. Volgens de gemachtigde van PostNL spannen [gedaagde01] en [naam03] zodoende samen om anderen te misleiden en de boel te flessen. Een en ander is door [gedaagde01] , die is niet op de zitting is verschenen niet weersproken en duidt inderdaad op een bedrieglijke handelwijze.
2.7.
Tegen deze achtergrond kan [gedaagde01] zich er niet met succes op beroepen dat in de vervoerovereenkomst is vermeld dat [bedrijf01] zich heeft laten vertegenwoordigen door [naam03] en dat hij de overeenkomst heeft ondertekend.
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat een en ander voor risico van [gedaagde01] komt en dat PostNL redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat [naam03] bij het sluiten van de vervoerovereenkomst bevoegd was om deze rechtshandeling namens de eenmanszaak van [gedaagde01] [bedrijf01] te verrichten (artikel 3:61 lid 2 BW Pro). Deze schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft [gedaagde01] niet weggenomen door nadien, naar aanleiding van naar haar adres verzonden facturen voor [bedrijf01] in de periode van juli tot en met november 2019, te laten weten dat zij/ [bedrijf01] zich niet heeft verbonden. [2]
Proceskosten
2.9.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van PostNL tot vandaag vast op € 113,10 aan dagvaardingskosten, € 1.384,- aan griffierecht en € 1.188,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten x € 396,-). Dit is totaal € 2.685,10. Voor kosten die PostNL maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist. [3]
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan PostNL te betalen € 16.745,04, met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 12.495,43 vanaf 20 januari 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van PostNL tot vandaag worden vastgesteld op € 2.685,10;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Zaaknummer 8854928 CV EXPL 20-39634.
2.Vgl. Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1456.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.