ECLI:NL:RBROT:2023:12368

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
2 januari 2024
Zaaknummer
FT EA 23/936 en FT EA 23/937
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord en afwijzing subsidiair verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers waarbij 2,57% van de totale schuldenlast van circa €38.771,55 wordt betaald. Achttien van de negentien schuldeisers stemden in met dit akkoord, slechts Flitsmeister weigerde. Verzoekster heeft een Ziektewetuitkering en aanvullende Participatiewet-uitkering en is medisch niet in staat te werken, met ontheffing van sollicitatieplicht tot november 2024.

De rechtbank stelt vast dat het akkoord is gebaseerd op de NVVK-norm en is getoetst door een onafhankelijke partij, de Kredietbank Rotterdam. Het voorstel is goed gedocumenteerd en het aangeboden percentage is het maximale dat verzoekster redelijkerwijs kan betalen. De rechtbank weegt het belang van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder dan dat van Flitsmeister, die slechts een klein aandeel van 0,6% van de schuldenlast heeft.

De rechtbank beveelt Flitsmeister om in te stemmen met de schuldregeling en veroordeelt haar in de proceskosten, die nihil zijn vanwege het ontbreken van griffierecht en advocaatkosten. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat deze regeling minder oplevert voor schuldeisers en de uitkering pas aan het einde plaatsvindt. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer01] – [nummer02]
uitspraakdatum: 29 november 2023
in de zaak van:
[verzoekster01],
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 26 september 2023, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
  • T-Mobile Netherlands B.V., in behandeling bij LAVG Gerechtsdeurwaarders (hierna: T-Mobile);
  • Direct Pay Servicces B.V., in behandeling bij LAVG Gerechtsdeurwaarders (hierna: Direct Pay);
  • Flitsmeister, in behandeling bij COEO Incasso (hierna: Flitsmeister),
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Direct Pay heeft voorafgaande aan de zitting bij brief van 2 november 2023 aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
T-Mobile Netherlands B.V. heeft voorafgaande aan de zitting bij brief van 15 november 2023 aan de rechtbank te kennen gegevens alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Ter zitting van 22 november 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [naam02] , werkzaam bij gemeente Rotterdam, Expertise Team Financiën (hierna: trajectbegeleider);
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift negentien concurrente schuldeisers met twintig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 38.771,55 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 4 juli 2023 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,57% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast bedroeg op dat moment € 38.771,55. De schuldenlast uit het WSNP-verzoek blijkt lager te zijn, te weten € 36.898,50. De uitkering aan de schuldeisers zal derhalve hoger zijn.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar huidige inkomsten, te weten een Ziektewetuitkering, aangevuld tot de bijstandsnorm met een uitkering op grond van de Participatiewet. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieplicht van de gemeente Rotterdam tot en met 13 november 2024. Zij heeft medische klachten, waardoor zij niet in staat is om te werken. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoekster gemotiveerd is om aan haar schulden te werken. Zij komt alle gemaakte afspraken na. Verzoekster maakt gebruik van budgetbeheer. De trajectbegeleider heeft ter zitting meegedeeld dat zij tijdens het schuldhulpverleningstraject betrokken blijft om uitval te voorkomen en nazorg te verlenen. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Achttien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Flitsmeister stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 207,82 op verzoekster, welke 0,6 % van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Flitsmeister geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Flitsmeister bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Flitsmeister in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Flitsmeister een gering aandeel vormt/vormen in de totale schuldenlast van 0,6 %.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk achttien van de negentien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Zij heeft medische klachten, waardoor zij op dit moment niet in staat is om te werken. Verzoekster ontvangt inkomsten uit een Ziektewetuitkering en aanvullende Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting van de gemeente Rotterdam tot en met
13 november 2024. Voldoende aannemelijk is geworden, mocht verzoekster al in staat zijn om te werken, dat zij de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Flitsmeister, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Flitsmeister te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Flitsmeister zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Flitsmeister om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Flitsmeister in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 november 2023. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.