Eiser heeft een winkelruimte in Rotterdam verhuurd aan de v.o.f. van gedaagden. Vanwege een huurachterstand is de huurovereenkomst beëindigd per 1 juli 2019 via een beëindigingsovereenkomst, waarin twee termijnen van € 3.750,36 waren afgesproken met kwijtschelding van het restant bij tijdige betaling.
Gedaagden erkenden slechts één betaling van € 3.750,36, terwijl eiser stelde dat de eerste termijn niet tijdig was voldaan, waardoor de gehele resterende huurachterstand opeisbaar werd. De kantonrechter oordeelde dat de beëindigingsovereenkomst niet correct was nagekomen, mede gelet op de omschrijving van de betaling en e-mailcorrespondentie.
Daarom werd een bedrag van € 13.001,44 aan hoofdsom toegewezen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, evenals incassokosten van € 1.950,22 met rente vanaf de dag van dagvaarding. De gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten van € 1.595,62. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.