ECLI:NL:RBROT:2023:12628

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 september 2023
Publicatiedatum
12 januari 2024
Zaaknummer
10431492
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot betaling huurachterstand na niet-nakoming beëindigingsovereenkomst bedrijfsruimte

Eiser heeft een winkelruimte in Rotterdam verhuurd aan de v.o.f. van gedaagden. Vanwege een huurachterstand is de huurovereenkomst beëindigd per 1 juli 2019 via een beëindigingsovereenkomst, waarin twee termijnen van € 3.750,36 waren afgesproken met kwijtschelding van het restant bij tijdige betaling.

Gedaagden erkenden slechts één betaling van € 3.750,36, terwijl eiser stelde dat de eerste termijn niet tijdig was voldaan, waardoor de gehele resterende huurachterstand opeisbaar werd. De kantonrechter oordeelde dat de beëindigingsovereenkomst niet correct was nagekomen, mede gelet op de omschrijving van de betaling en e-mailcorrespondentie.

Daarom werd een bedrag van € 13.001,44 aan hoofdsom toegewezen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, evenals incassokosten van € 1.950,22 met rente vanaf de dag van dagvaarding. De gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten van € 1.595,62. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 13.001,44 huurachterstand, € 1.950,22 incassokosten en € 1.595,62 proceskosten met rente.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10431492 CV EXPL 23-9641
datum uitspraak: 8 september 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. P.C. Rijken,
tegen

1.de v.o.f. [gedaagde01] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] ,

2. [gedaagde02] ,

3. [gedaagde03] ,

woonplaats beiden: [plaats01] ,
gedaagden,
die zelf procederen, ook als vennoten voor v.o.f. [gedaagde01] .
De partijen worden ‘ [eiser01] ’, ‘ [gedaagde01] ’, ‘ [gedaagde02] ’ en ‘ [gedaagde03] ’ genoemd. Gedaagden tezamen worden ‘ [gedaagde02] c.s.’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 28 maart 2023, met bijlagen 1 tot en met 10;
  • het antwoord van [gedaagde02] c.s.
1.2.
Op 15 augustus 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met mr. Rijken en de heer en mevrouw [gedaagde02] .

2.De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde02] en [gedaagde03] zijn de vennoten van [gedaagde01] . [eiser01] heeft aan [gedaagde01] een winkelruimte in Rotterdam verhuurd. Vanwege een huurachterstand van
€ 18.751,80 tot en met de maand juni 2019 is de huurovereenkomst beëindigd per 1 juli 2019. Dat is gebeurd door middel van een beëindigingsovereenkomst, die [gedaagde02] op
19 juni 2019 heeft ondertekend namens [gedaagde01] . Verkort weergegeven is daarin bepaald dat [gedaagde01] twee keer een bedrag van € 3.750,36 moet betalen, namelijk op
1 juli 2019 en op 1 augustus 2019, en dat bij tijdige betaling het restant van € 11.251,08 aan huurachterstand zal worden kwijtgescholden. Tevens is bepaald dat bij niet of niet tijdig betalen de gehele resterende huurachterstand direct opeisbaar zal zijn.
2.2.
[eiser01] stelt zich op het standpunt dat de beëindigingsovereenkomst niet is nagekomen, omdat slechts éénmaal het bedrag van € 3.750,36 betaald is op 24 oktober 2019, zodat te weinig en niet op tijd is betaald. Hierdoor is de gehele resterende huurachterstand opeisbaar geworden. Hiervan staat, na ontvangen betalingen, nog een bedrag van € 13.001,44 open, welk bedrag gevorderd wordt met € 1.950,22 aan incassokosten en rente.
2.3.
[gedaagde02] c.s. erkent op 24 oktober 2019 € 3.750,36 betaald te hebben, maar voert aan dat op 3 juni 2019 de eerste termijn van € 3.750,36 betaald is. Volgens [gedaagde02] c.s. betreft die eerste termijn dezelfde beëindigingsovereenkomst die aanvankelijk mondeling is aangegaan en later op schrift gesteld is. Door de twee betalingen is aan de beëindigingsovereenkomst voldaan, aldus [gedaagde02] c.s.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
2.4.
Het ongemotiveerde verweer van [gedaagde02] c.s. is weersproken en vindt geen steun in de tekst van de op schrift gestelde beëindigingsovereenkomst, waarvoor getekend is. Integendeel. Daarnaast vindt het verweer haar weerlegging in de omstandigheid dat de overboeking van 3 juni 2019 voorzien is van de omschrijving: “factuurnummer [factuurnummer01] januari”, wat er niet op duidt dat deze betaling betrekking heeft gehad op een eind mei 2019 tot stand gekomen mondelinge beëindigingsovereenkomst. Voorts wordt in het e-mailbericht van 11 januari 2021 van de zijde van [gedaagde02] c.s. vermeld dat in mei besproken is dat zij drie betalingen zouden doen, dat op 3 juni 2019 en 24 oktober 2019 is betaald, maar dat zij de derde betaling niet hebben kunnen verrichten (zie bijlage 6 bij de dagvaarding). Gelet hierop staat voldoende vast dat de beëindigingsovereenkomst niet goed is nagekomen. Eén termijn van € 3.750,36 is niet betaald en ook niet tijdig betaald door [gedaagde02] c.s. Daardoor is de gehele resterende huurachterstand destijds opeisbaar geworden. Dat - na aftrek van door [gedaagde02] c.s. gedane betalingen - nog € 13.001,44 aan hoofdsom openstaat, is onvoldoende gemotiveerd betwist. Niet gebleken is dat [gedaagde02] c.s. betalingen heeft gedaan, waarmee [eiser01] geen rekening heeft gehouden en die nog in mindering gebracht moeten worden. Daarom wordt het bedrag van € 13.001,44 toegewezen, met de gevorderde wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 januari 2022. Het bedrag van
€ 1.950,22 aan incassokosten wordt, als niet bestreden, eveneens toegewezen, met de (gewone) wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
proceskosten
2.5.
[gedaagde02] c.s. krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 110,62 aan dagvaardingskosten, € 693,- aan griffierecht en € 792,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,-). Dit is totaal € 1.595,62. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde02] c.s. ook een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De (gewone) wettelijke rente wordt toegewezen.
hoofdelijke veroordeling
2.6.
Zoals gevorderd gaat het om hoofdelijke veroordelingen, zodat ieder van gedaagden
voor het geheel kan worden aangesproken, maar in totaal niet voor meer dan genoemd bedrag. Als de één betaalt, is de ander bevrijd..
uitvoerbaarheid bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] , [gedaagde02] en [gedaagde03] hoofdelijk, zodat als de één betaalt, de ander is bevrijd, om aan [eiser01] te betalen:
  • € 13.001,44 aan hoofdsom, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 1 januari 2022 tot de dag dat volledig is betaald;
  • € 1.950,22 aan incassokosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 28 maart 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] , [gedaagde02] en [gedaagde03] hoofdelijk, zodat als de één betaalt, de ander is bevrijd, in de proceskosten, die aan de kant van [eiser01] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.595,62, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465