Eiser betoogde dat de WOZ-waarde van zijn woning te hoog was vastgesteld op €511.000,-, terwijl hij een waarde van €377.000,- aannemelijk achtte. Hij wees op een forse stijging van meer dan 46% ten opzichte van het vorige belastingjaar en stelde dat de heffingsambtenaar meerdere keren vergelijkingsobjecten had gewijzigd, wat zijn vertrouwen in de waardebepaling ondermijnde.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar op grond van de Wet WOZ jaarlijks de waarde van een onroerende zaak opnieuw moet vaststellen, waarbij eerdere WOZ-waarden niet relevant zijn. De gebruikte vergelijkingsobjecten waren voldoende vergelijkbaar en de verschillen tussen de woning en de objecten waren adequaat toegelicht. De wijzigingen in vergelijkingsobjecten tijdens de procedure waren niet in strijd met de goede procesorde.
Verder legde de rechtbank uit dat het indexeringspercentage en het indexeren van verkoopprijzen op verschillende datums kunnen worden gebaseerd, en dat hiervoor geen rechtsregel bestaat die eenzelfde datum voorschrijft. De berekening van het indexeringspercentage vond plaats op basis van leveringsdata van woningen, terwijl de indexering van verkoopprijzen naar de waardepeildatum plaatsvond vanaf de verkoopdata.
Gelet op deze overwegingen werd het beroep ongegrond verklaard, bleef de WOZ-waarde gehandhaafd en kreeg eiser geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.